Wat aten de voedselverzamelaars uit het paleolithicum? In dat opzicht valt er wellicht iets te leren van de groeiende wildplukbeweging. Over de brandnetel bijvoorbeeld.

Enige tijd geleden vroeg ik mij af wat de jagers en verzamelaars aan groenten aten. Het antwoord vond ik niet in de talrijke boekjes over het paleodieet; onze voorouders aten niet van de avocado’s, tomaten, quinoa of zoete aardappelen die veelvuldig in de paleorecepten voorkomen. Duizenden jaren geleden waren die producten namelijk helemaal niet verkrijgbaar in Europa. Historisch zit dat paleodieet er dus flink naast. (Dat neemt niet weg dat ik er in vijf weken tijd vijf kilo mee ben afgevallen. Maar dat terzijde.)

De vraag bleef wat onze paleolithische voorouders dan wel aten naast hun vlees. Lopend door het bos reikte mijn fantasie niet verder dan bramen en beukennootjes. Andere mensen bleken op dat vlak avontuurlijker ingesteld en zijn gaan wildplukken; in boeken en op websites documenteren ze uitgebreid wat een mens wel en niet kan eten. Van alle eetbare plantjes, paddenstoelen en bessen vond ik de brandnetel de meest verrassende. Deze plant – die ik altijd als prikkend onkruid heb beschouwd – bleek niet alleen het hele jaar verkrijgbaar, maar ook nog eens breed toepasbaar; jonge toppen kunnen in de sla, mits met dressing geprepareerd, want anders gaat je tong zeer doen. Thee trekken kan ook. Oudere bladen zijn zeer geschikt voor in de soep. De wortels kunnen gebakken en gegeten worden. Zelfs de zaadjes zijn eetbaar. Ze smaken naar noten en schijnen lustverhogend te werken.

In Nederland kennen we twee soorten brandnetels; de kleine en de grote. Ze zijn allebei eetbaar. Als je de boekjes mag geloven verlagen beide brandnetelsoorten de bloedsuiker, verhogen ze de weerstand, zuiveren ze het bloed, drijven ze vocht af, remmen ze ontstekingen en stillen ze de pijn. Als je erover nadenkt is het eigenlijk een wonder dat dit (on)kruid niet in iedere supermarkt ligt.

Voorbeelden van ander wildplukvoedsel zijn onder andere paddenstoelen, eikels, vlierbessen, berkenbladeren, de wilde wortel, daslook en duindoorn. Dankzij de wildplukbeweging zie ik tot mijn verbazing buiten nu bijna meer voedsel dan in een doorsnee supermarkt. Je moet natuurlijk wel weten wat je wanneer kan eten en wat niet. Te veel beukennootjes zijn giftig en hetzelfde geldt voor een klein deel van de paddenstoelen en bessen. En tegenwoordig kan je maar beter boven heuphoogte plukken, want je weet nooit waar een hond of vos zijn poot heeft opgetild.

Of al dat plukbare voedsel ook daadwerkelijk in Europa groeide tijdens het paleolithicum weet ik niet. Waarschijnlijk slechts ten dele; geografisch en in de tijd maakten de ijstijden veel groei onmogelijk. Ik heb nog veel uit te zoeken.

 

Written by HRWibier