Slankheidsfilosofie uit de steentijd. Zin of onzin? En waarom staan er geen brandnetels op het menu?

Het is onbekend hoe onze verre voorouders aten. De tijd heeft geknabbeld aan alles wat er uit de steentijd is achtergebleven. Hout, stof, poep, leer, vlees, groente en fruit, het is allemaal weg. Er bestaan geen authentieke recepten van oergroentesoep of oerspareribs. Het is zelfs niet duidelijk of Neanderthalers fervente kannibalen waren. Beschadigingen op de paar achtergebleven botten geven aanleiding om dat te denken, maar zekerheid is er niet. Kannibalisme kan zelfs tot de nieuwe steentijd zijn voorgekomen, ook bij homo sapiens. Andere botbeschadigingen wekken de indruk dat de beoogde maaltijden zich stevig verweerden en een substantieel deel van onze voorouders hebben vertrappeld en verscheurd. Dat lijkt me niet gezond. Vlees had dus ook in de steentijd zo zijn schaduwkanten. Of de rest van het voedingspakket gezond was is onbekend. We weten wel dat mensen er niet oud bij werden. Gelukkig plantten zij zich jong voort, want anders was er niet veel van onze soort geworden.

Suikers

Dit alles weerhoudt een op dit vlak onwetende groep diëtisten er niet van om een paleodieet te propageren. Zij hanteren een filosofie die gebaseerd is op ons huidige voedselaanbod. De oorzaak van alle welvaartszieketen als kanker en hart- en vaatziekten liggen volgens hen in conserverings- en verdikkingsmiddelen, E-nummers, smaakversterkers, suikers en alle andere rommel die in het grootste deel van het supermarktaanbod zit. Daar hebben zij wellicht een punt. Maar hun bewering dat daarom het voedsel uit de oertijd supergezond was is en hele slanke en gezonde mensen van de jagers en verzamelaars maakte is zeer speculatief.

IMG_2797

Het werkt!

Om mijn vakantiekilo’s kwijt te raken ben ik ondanks alle historische vaagheden toch maar begonnen met het paleodieet; ’s ochtend een lekkere shake van kokosmelk en bananen, ’s middag eieren en ’s avonds vlees of vis en groente. Tussendoor eet ik noten en fruit. Zuivel, granen, peulvruchten, aardappelen, koffie, suikers en fabrieksvoedsel zijn taboe. Ik smul van notenpannekoekjes, Vietnamese garnalensalades, smoothies en gazpacho. Paleolithisch voelt het niet. In dat opzicht kan ik beter met een speer bij de lokale vijver gaan staan of het bos in gaan op zoek naar eetbare planten. Sprinkhanen verzamelen. Bramen plukken. Of duiven in de val gaan lokken en dan braden boven een vuurtje in mijn tuin. Maar het afvallen met al die nieuwerwetse voedselbronnen lukt wel. In vijf weken verlies ik vijf kilo kwijt. De paleofilosofie is dus grote flauwekul, maar het dieet werkt als een tierelier.

Brandnetel

De vraag bleef wat onze paleolithische voorouders dan wel aten naast hun vlees. Lopend door het bos reikte mijn fantasie niet verder dan bramen en beukennootjes. Andere mensen bleken op dat vlak avontuurlijker ingesteld en zijn gaan wildplukken; in boeken en op websites documenteren ze uitgebreid wat een mens wel en niet kan eten. Van alle eetbare plantjes, paddenstoelen en bessen vond ik de brandnetel de meest verrassende. Deze plant – die ik altijd als prikkend onkruid heb beschouwd – bleek niet alleen het hele jaar verkrijgbaar, maar ook nog eens breed toepasbaar; jonge toppen kunnen in de sla, mits met dressing geprepareerd, want anders gaat je tong zeer doen. Thee trekken kan ook. Oudere bladen zijn zeer geschikt voor in de soep. De wortels kunnen gebakken en gegeten worden. Zelfs de zaadjes zijn eetbaar. Ze smaken naar noten en schijnen lustverhogend te werken. In Nederland kennen we twee soorten brandnetels; de kleine en de grote. Ze zijn allebei eetbaar. Als je de boekjes mag geloven verlagen beide brandnetelsoorten de bloedsuiker, verhogen ze de weerstand, zuiveren ze het bloed, drijven ze vocht af, remmen ze ontstekingen en stillen ze de pijn. Als je erover nadenkt is het eigenlijk een wonder dat dit (on)kruid niet in iedere supermarkt ligt.

Wildplukken

Voorbeelden van ander wildplukvoedsel zijn onder andere paddenstoelen, eikels, vlierbessen, berkenbladeren, de wilde wortel, daslook en duindoorn. Dankzij de wildplukbeweging zie ik tot mijn verbazing buiten nu bijna meer voedsel dan in een doorsnee supermarkt. Je moet natuurlijk wel weten wat je wanneer kan eten en wat niet. Te veel beukennootjes zijn giftig en hetzelfde geldt voor een klein deel van de paddenstoelen en bessen. En tegenwoordig kan je maar beter boven heuphoogte plukken, want je weet nooit waar een hond of vos zijn poot heeft opgetild. Of al dat plukbare voedsel ook daadwerkelijk in Europa groeide tijdens het paleolithicum weet ik niet. Waarschijnlijk slechts ten dele; geografisch en in de tijd maakten de ijstijden veel groei onmogelijk. Ik heb nog veel uit te zoeken.

Written by HRWibier