Geplaatst op

31 Inkttekeningen in 31 dagen. Het resultaat van inktober 2021

Day 18: Moon

Traditioneel is oktober de maand om inkttekeningen te maken. Daarom verscheen die maand in 2020 op deze site een serie inkttekeningen van hunebedden. Voor 2021 volgde ik de trefwoorden van de organisatie die schuilt achter al dat tekenwerk met inkt in oktober. Deze staan op de site van Inktober. Dat leverde verrassende resultaten op, vooral omdat ik trouw wilde blijven aan de historische thematiek van dolm.nl. Nieuwsgierig? Kijk dan snel hieronder.

Inkttekeningen week 1

De eerste week gebruikte ik twee keer ambachtelijk papier met een bijzondere structuur: Dag 1 en dag 7. De bijbehorende trefwoorden zijn ‘Crystal’ en ‘Raven’. Voor de derde dag tekende ik originele grafvondsten na. Ik had ze gezien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Oorspronkelijk komt dit keramiek uit de Drentse grond bij hunebed D19 in Drouwen. Voor dag 6 tekende ik een hunebed met een mannetje erop. Stripliefhebbers herkennen hier misschien The Spirit, een stripfiguur van de virtuoze tekenaar Will Eisner.

Inktober week 2

Een tweede referentie naar Drentse hunebedden kwam op dag 10: Pick. Liefhebbers herkennen direct hunebed D40 dat vlakbij Emmen ligt. Het hunebed van de dag ervoor is de Brutkamp dat zich nabij Albersdorf bevindt. De enorme deksteen past goed bij het thema ‘pressure’. De tekening van dag 14 verwijst onmiskenbaar naar Stonehenge, een oeroude klok voor bij het thema ’tick’.

Inkttekeningen week 3

De derde week bevat twee inkttekeningen die naar Stonehenge verwijzen. Eentje laat Stonehenge als kompas zien, de ander als maaninstallatie. Ook de tekening van dag 19 verwijst naar een neolithisch monument in Engeland. Het is Mên-an-Tol, een raadselachtige stenenrij in Cornwall.

Inkttekeningen week 4

Liefhebbers van Playmobil reageerden via Instagram enthousiast op de foto die ik van de mammoet had gemaakt. Zelf was ik erg blij met de tekening van dag 25; als je goed kijkt zie je een ontsierende spetter vogelpoep op het hunebed.

De laatste drie dagen

Ook de op twee na laatste tekening maakte ik weer op ambachtelijk papier. De laatste twee tekende ik net als de meeste inkttekeningen in een schetsboek met witte pagina’s.

Geplaatst op

Migratie in de prehistorie. De reis van onze genen

Migratie in de prehistorie; de reis van ons DNA

Migratie is zo oud als de mensheid. Wat dat betreft is er weinig veranderd sinds de prehistorie. Maar pas sinds kort weten we daar het fijne van. Want tot enkele decennia geleden was zo’n beetje alle kennis over onze voorouders beperkt tot datgene wat we konden afleiden uit de vondst van stenen en beenderen. Meer wisten we niet. Tot de komst van de archeogenetica. Sindsdien geeft DNA lang vergeten verhalen prijs over lange reizen, onverwachte verre verwantschap en akelige pandemieën.

Geschiedenis van de mensheid

Johannes Krause is directeur van het Max Planck Instituut voor de Geschiedenis van de Mensheid in Jena. Samen met journalist Thomas Trappe schreef hij een fascinerend boek over de nieuwste inzichten die de archeogenetica ons biedt over de vroege menselijke geschiedenis. De hoeveelheid reisbewegingen die daarbij de revu paseert is amper te bevatten. Dat begint met homo erectus die naar Europa en Azië trekt, gevolgd door de Neanderthalers en de Denisova’s die gaandeweg oprukken in diezelfde continenten. Maar Homo Sapiens spant wat migraties betreft de kroon. De eerste moderne mensen kwamen al tijdens de ijstijd. Cro-magnon bijvoorbeeld.

Migratie van het boerenbedrijf

Als het ijs zich terugtrekt en de onafzienbare Europese oerbossen vorm krijgen, trekken langzaam maar zeker steeds meer mensen het continent in. Startpunt is het zuidoosten van Turkije. Rond 9.000 voor Christus bereiken deze immigranten de Bosporus. Duizend jaar later trekken zij langs de Middellandse Zeekust en de Donau. Zij nemen kennis van landbouw met zich mee. Europese jagers en verzamelaars van weleer overleven in het bos dat nog goeddeels intact blijft. Deze twee bloedgroepen – één ervan bestaat uit bouwers van hunebedden, steencirkels en menhirs – zijn nog traceerbaar in ons DNA. Maar het zijn niet de enige delen waaruit Europees DNA is opgebouwd.  

Migratie van het steppenvolk

Zo’n 4800 jaar geleden komt een grote overmacht naar Europa. Deze overmacht brengt twee nieuwe DNA-componenten met zich mee. De eerste is afkomstig uit Iran, de tweede uit het gebied ten noorden van de Zwarte en Kaspische zee. De reden is dat dit migrerende volk van oorsprong uit Perzië komt en van daaruit de Pontische steppe betrekt. Als dit steppevolk Europa bereikt, treft het naar Krause vermoedt een bijna leeg continent aan, waarschijnlijk als gevolg van een ziekte. Er is maar heel weinig archeologische materiaal beschikbaar van de periode direct voor de komst van het steppevolk.    

De cirkel is rond

Genetisch gezien vindt er een afsluiting plaats als Christoffel Columbus Amerika ontdekt. Pas sinds kort weten we namelijk dat het DNA van de oorspronkelijke Amerikanen afkomstig is uit dezelfde Pontische steppe als dat van de Europeanen. Vanuit Azië reist het DNA naar oost en west om in Amerika de ring te sluiten. Helaas met catastrofale gevolgen voor de groep die daar het langst woont. Die heeft namelijk (nog) geen weerstand tegen de ziekten die de Europeanen bij zich dragen. Het gevolg is massale ellendige sterfte.

Migratie van ziektes

Net als menselijk DNA reist ook een ziekte over de aarde. Vaak – maar niet altijd – zelfs met mensen. Pest, pokken, difterie, cholera, malaria, de pest, tuberculose, syfilis en griep migreren van streek tot streek en van continent tot continent, een spoor van dood en verderf achter latend. Krause en Trappe wijden een substantieel deel van hun boek aan de beschrijving van massale sterfte en achterliggende biologische principes. Ook dit deel heeft een belangrijke genetische component.

De reis van onze genen

Iedere lezer kan iets nieuws halen uit dit fascinerende boek. Al is het maar omdat de genetische invalshoek een andere kijk op de prehistorie biedt dan boeken die stenen en beenderen als uitgangspunt hanteren. Belangrijke inzichten uit de archeogenetica worden dankzij dit boek voor een groot publiek toegankelijk. En het biedt een relativerende kijk op vluchtelingenstromen en corona. Want als er iets is dat uit dit boek blijkt, dan is het wel dat migratie en ziekte van alle tijden zijn. Een aanrader voor iedereen die ook maar een beetje interesse in boeken over de prehistorie heeft!

Boek: De reis van onze genen (migratie in de prehistorie)

Johannes Krause & Thomas Trappe

De reis van onze genen. Onze geschiedenis en die van onze voorouders.

Nieuw Amsterdam 2020, 284 pagina’s

ISBN 978 90 468 2681 2

Geplaatst op

Oermoeders. Hun enorme belang voor onze sociale ontwikkeling

Oermoeder

Oermoeders en jagers. Het klassieke verhaal is dat mensen zo goed samen kunnen werken omdat hen dat helpt te jagen op groot wild. Één individu rijgt geen mammoet aan zijn speer. Daar is een groep, coördinatie, overleg en samenspel voor nodig. Zonder samenwerking geen vlees en daarom hebben mensen geleerd om met elkaar gecoördineerd te jagen. Dat klinkt zo logisch dat tot voor kort geen enkele wetenschapper het nodig vond deze hypothese in twijfel te trekken. Toch is het beeld incorrect. Moeders en hun kinderen blijken van veel doorslaggevender belang in de evolutie van sociaal gedrag dan gedacht. De antropologe en walnotenboer Sarah Blaffer Hrdy schreef er een boek over.

Mensapen

De aap in ons is er één van een bijzondere soort. Niet alleen omdat wij een grote hersencapaciteit hebben, rechtop lopen en over taal beschikken, maar vooral omdat onze soort met meerdere individuen voor baby’s zorgt. Tantes, zussen, broers, vaders en ooms dragen hun steentje bij in voeding, opvoeding en bescherming. Chimpansees en gorilla’s doen dat anders. Die moeders laten hun kindje geen moment uit het oog. Dat kan ook niet, want de kans is groot dat andere leden van de groep er nare dingen mee doen. Zij voelen namelijk geen mededogen. Honger, pijn en ellende van een soortgenoot doen hen niets. Ook niet als ie net geboren is. Ergens in de prehistorie gingen mensen dat anders doen. Waarom? Wanneer? Hoe? En met welke gevolgen?

De oermoeder staat niet alleen

Een belangrijke factor is de lange afhankelijkheid die menselijke baby’s hebben ten opzichte van hun omgeving. De toewijding die een chimpanseemoeder voor haar jong heeft is voor een menselijke oermoeder vanwege de lange duur van de opvoeding niet op te brengen. Gelukkig hoeft dat ook niet, want mensenbaby’s zijn ware verleiders die in staat zijn zich aan meerdere opvoeders te hechten. Hoe socialer het kind, hoe groter zijn overlevingskansen; het krijgt dan vaker eten toegestopt. En het krijgt meer positieve aandacht. Dankzij de steun die de moeder zo krijgt, kan zij al na een jaar weer een nieuwe baby op de wereld zetten. Zij weet deze steun overigens handig te vergroten door haar baby er zo leuk en zo schattig mogelijk uit te laten zien.

Afwezige oervaders

Prehistorische mannen blijven volgens Blaffer Hrdy niet altijd bij een vrouw en monogamie is niet de norm. Hun bijdrage aan het voedsel wordt overschat. Groot wild levert veel minder dan de helft van de dagelijkse calorieën op. Klein wild en plantaardig voedsel zijn belangrijker. De oerman zorgt als hij daartoe in de gelegenheid is en dat hoeft niet altijd voor zijn eigen kinderen te zijn. Veel kinderen groeien op zonder dat hun vader in de buurt is. Dat laatste blijkt overigens ook in moderne westerse samenlevingen probleemloos te kunnen. Wetenschappers en politici die beweren dat twee ouders noodzakelijk zijn voor de opvoeding van een kind kennen de feiten niet. Wat telt is of de moeder voldoende steun krijgt uit haar omgeving en of zij voldoende toegang heeft tot primaire levensbehoeften. Dat blijkt uit statistische gegevens veel belangrijker dan haar band met de vader.     

De groep 

Kortom: De sociale aard van de mens komt voort uit zorg voor kinderen en niet uit de noodzakelijkheid ervan voor het jagen en verzamelen. Misschien is het daarom wel dat antropologische verslagen vooral laten zien hoe egalitair dit soort samenlevingen zijn ingericht. Niemand speelt de baas en ieder individu levert zijn bijdrage. Geboorte, sekse of leeftijd spelen geen rol. Wie kan participeert. Iedereen draagt zijn steentje bij. De groep is belangrijker dan het individu. Voor persoonlijk bezit, ambities of aanspraken is geen plaats.

Waarom samenwerkende oermoeders?

Blaffer Hrdy onderbouwt bovenstaande stellingen met tal van voorbeelden uit wetenschap en literatuur. Dat doet zij volledig en overtuigend. Slechts op één punt is zij gedwongen het glibberige pad van de speculatie op te gaan. Maar ook dat doet ze niet zonder zich te baseren op concrete aanwijzingen. Dat is bij beantwoording van de vraag waarom mensen wel en apen niet deze evolutionaire weg hebben bewandeld.

Matrilokale oermoeders

Het allesbepalende antwoord is logisch en overtuigend. Oermoeders geven hun kroost alleen uit handen als ze hun omgeving volledig vertrouwen. Dat is enkele en alleen het geval als ze bevallen met hun eigen verwanten in de buurt. Menselijke samenlevingen zijn derhalve volgens haar tot 10.000 jaar geleden altijd matrilokaal van structuur geweest; vrouwen bleven bij hun groep of keerden terug naar hun geboortegroep zodra ze zwanger waren. Het patrilokale systeem kon pas ontstaan na de agrarische revolutie en de grotere druk op de voedselbronnen die daaruit voortkwam. Mannen gingen zich organiseren om hun land te kunnen verdedigen met als gevolg het verval van het matrilokale systeem. Vrouwen verlieten hun familie en kozen voor een andere veiligheid.  

Conclusie over oermoeders

Conclusies als deze maken ‘Een kind heeft vele moeders’ tot één van de meest boeiende boeken over de prehistorie. Blaffer Hrdy brengt haar even originele als baanbrekende verhaal met intelligentie en kennis van zaken. Ze doseert haar inzichten en bouwt langzaam toe naar de belangrijkste inzichten. Het boek is niet alleen prettig leesbaar, maar geeft het zelfs enige spanning. Lezen in ‘Een kind heeft vele moeders’ is als een spannende reis waarbij je je als lezer steeds weer afvraagt wat er om de volgende hoek voor verrassing op je ligt te wachten. Het is een absolute topper, een eye-opener en een page-turner.

Boek Sarah Blaffer Hrdy (Oermoeders)

Sarah Blaffer Hrdy: Een kind heeft vele moeders. Hoe evolutie ons sociaal heeft gemaakt

Nieuw Amsterdam 2009, 448 pagina’s

ISBN 978-90-468-0656-2

Geplaatst op

Taal in de prehistorie. De oorsprong van de taal uitgelegd

Taal in de prehistorie.

Taal ontstond ergens in de prehistorie. Maar hoe? De Zweed Sverker Johansson schreef een boek over deze simpele vraag. Zijn antwoorden zijn complex, maar ook interessant. Want wanneer is er sprake van taal? Is dat zodra een neanderthaler een steen op zijn voet laat vallen en “Au!” roept? Of is daar meer voor nodig? Zoiets als “Het jonge hert bevindt zich aan de andere kant van de heuvel en is gewond aan de rechter achterpoot. Als jij linksom gaat, ga ik rechtsom en dan hebben we vanavond iets lekkers te eten.” 

De taal uit elkaar gehaald

In het eerste deel van zijn boek ontleedt Johansson de taal. Er blijken veel meer bestanddelen te zijn dan zinnen, woorden en letters. Taal heeft ook context, klanken, betekenissen, universele kenmerken (met uitzonderingen daarop), verschillen, diversiteit en soorten. Alles komt langs in een zorgvuldige analyse die vooral duidelijk maakt hoe wonderbaarlijk en ingewikkeld taal tegenwoordig eigenlijk is en wat voor een enorm lange weg het heeft afgelegd om tot hier te komen.

Ook niet onbelangrijk: Johansson gaat in op de vraag waarin taal verschilt van dierlijke communicatie. Want bijendansen, vogelgetjilp en het geluid van dolfijnen bevatten ook complexe boodschappen. Die boodschappen missen echter de variatie, dynamiek en de haast tot in de oneindigheid uitgenutte mogelijkheden van de menselijke taal. Dat verschil moet ergens in de prehistorie zijn ontstaan. Een ander verschil tussen mensen- en dierencommunicatie is dat mensen buiten het hier-en-nu kunnen treden. Ze kunnen plannen maken en organiseren voor iets dat ergens anders of in de toekomst plaats gaat vinden.

De prehistorie en de taal

Het tweede deel van het boek gaat meer over evolutie. Taal blijkt zich te voegen naar de theorieën van Charles Darwin; hij ontwikkelt zich, past zich aan en bij onvoldoende aanpassing sterft een taal uit. Vergelijk de teksten uit de eerste Statenbijbel maar eens met een moderne vertaling. Je weet dan gelijk dat taal evolueert als een organisme. Het oude Grieks van Homerus lijkt in niets op dat wat nu in de straten van Athene wordt gesproken.

De grote vraag is natuurlijk wanneer onze voorouders voor het eerst gingen spreken. Zeker weten doen we wat dat betreft niets, want het blijft ongedocumenteerde prehistorie. Toch valt er een beetje af te leiden uit archeologische vondsten. Het belang van de ontwikkeling van het skelet van de menselijke soort laat zich in deze niet overschatten. Dat geldt ook voor de vergelijking met communicatieve omgangsvormen tussen onze naaste verwanten als chimpansees en gorilla’s. Er schuilt immers een aap in ons.

Taal in de prehistorie.

Alle primaten – inclusief de mens – communiceren over voedsel, veiligheid, rangorde en genegenheid. Het lukt ze echter niet allemaal om een complex stuk gereedschap te fabriceren. Johansson stelt dat dit alleen kan met behulp van taal. Al is het alleen maar om het ambacht van generatie naar generatie over te dragen. De ontwikkeling van taal en stenen werktuigen gaan volgens hem hand in hand. Bouwend op deze stelling gaat hij er vanuit dat homo erectus de eerste sprekende voorouder was, want deze menssoort is de eerste die het maken van stenen werktuigen tot een waar ambacht maakt. 

De oorsprong van de taal in de prehistorie

Na de lange introductie waarin taal, prehistorie en evolutie tot op het bot zijn ontleed, lezen we in het derde deel hoe taal is ontstaan. Of beter geformuleerd: Hoe hij misschien heeft kunnen ontstaan. Johansson kan nergens zeker van zijn, dus scenario’s en speculaties bepalen voor een groot deel de inhoud van zijn betoog. Gevolg is dat niet duidelijk wordt of taal nu voortkomt uit sociale drijfveren, overlevingsstrategieën, machtspolitiek of iets anders. In dat opzicht roept “De oorsprong van de taal” meer vragen op dan dat het antwoorden geeft.

Johansson pretendeert overigens wel enkele antwoorden te geven. Wat mij vooral bijblijft is de bravoure waarmee hij bij herhaling stelt dat taal is ontstaan ten tijde van homo erectus. Aanvankelijk was taal fragmentarisch en simpel, maar na duizenden en duizenden jaren van evolutie is taal complexer en gevarieerder geworden. Ja, hè hè! Homo erectus heeft twee miljoen jaar bestaan en is in tijd gemeten de succesvolste menssoort tot nu toe. Je hoeft geen taalwetenschapper te zijn om het ontstaan van taal in dit wel zeer ruime tijdsbestek te plaatsen … En het poneren van de stelling dat taal niet pats boem in een dag ontstaat is alles behalve verrassend.

Het ontstaan van taal.

En dan nog iets: Wetenschappers komen steeds meer tot het inzicht dat vrouwen in een samenleving van jagers en verzamelaars minstens evenveel calorieën bijdragen dan mannen. Ze participeren actief in de jacht. De oerman zorgt al sinds zijn ontstaan ook voor kinderen. Jagen en verzamelen doen mannen en vrouwen meestal samen. Tenminste; sinds homo sapiens. Misschien eerder. Desondanks blijft Johansson hangen in de achterhaalde stereotyperingen van de afgelopen paar duizend jaar. Hij schijnt niet te weten dat vrouwen doorgaans uitermate succesvol zijn in het zetten strikken en dat 40% van alle prehistorische graven met jachtgereedschap aan vrouwen toebehoort. Jammer.

Eindoordeel

De oorsprong van taal Sverker Johansson

Dit alles maakt ‘De oorsprong van de taal’ niet zo’n sterk boek als het had kunnen zijn. Een goede redacteur had dit te dikke boek meer tot zijn essentie kunnen terugbrengen of met een meer populair-wetenschappelijke benadering van zijn te grote pretenties kunnen ontdoen. Dat zou dit boek in vele opzichten boeiende boek nog leesbaarder hebben gemaakt. In zijn huidige vorm is het vooral interessant voor lezers met een fascinatie voor taal. Voor liefhebbers van oeroude geschiedenis bestaan betere boeken over de prehistorie

Sverker Johansson: De oorsprong van de taal. Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten. Meulenhoff 2020, 416 pagina’s, ISBN 978-90-290-9403-0.

Geplaatst op

Hunebedkunst. Één prehistorisch monument, meerdere interpretaties

Hunebed D6 Tynaarlo, een detail van een schilderij

Hunebedkunst komt niet vaak voor. Maar wie zoekt, die vindt! Niet alleen op deze website. Zo hingen er bijvoorbeeld meerdere schilderijen met hunebedden in de tentoonstelling Barbizon van het noorden. Daar viel veel te genieten. Dit dankzij de enorme kunde van makers en de schoonheid van de afgebeelde objecten. Een hunebed is immers een prachtig ding met spannende vormen en een interessant verhaal.

Grote meesters, meerdere interpretaties

Vaak schilder ik meerdere versies van één hunebed, want kunst is interpretatie. Meerdere interpretaties maken een object interessanter. Ze helpen schilder en toeschouwer om erop verschillende manieren naar te kijken. Vandaar mijn series hunebedkunst rondom hunebedden als Arthur’s Table, Lanyon Quoit, Brutkamp in Albersdorf en Crucuno. In de galerie van deze site zie je hoe ik stijlen van bekende kunstenaars als Gustav Klimt of Pablo Picasso uitprobeer. Vreemd genoeg heb ik nog nooit eerder verschillende stijlen van bekende kunstenaars losgelaten op één enkel hunebed. Tot nu. Ik ga helemaal los op één object. Het onderwerp is hunebed D6 bij Tynaarlo. Ik had er al eens schetsen in inkt van gemaakt.

D6 Tynaarlo

Tussen Tynaarlo en Zeegse staat een relatief klein hunebed van nog geen zes meter lang. Om twee redenen is het heel bijzonder. De eerste is dat alle grote stenen er nog zijn. Dat komt niet vaak voor bij de Drentse hunebedden. De meesten missen stenen. Dat komt doordat men vroeger, niet gehinderd door enig historisch besef, bouwmateriaal graag herbruikte. De tweede reden dat D6 bijzonder is, is dat de gebruikte stenen allemaal van roze graniet zijn. Ook dat komt zelden voor. Het lijkt erop dat de bouwers van D6 deze stenen vanwege hun soort speciaal uit hebben gezocht.

Hunebed D6 bij Tynaarlo
Hunebed D6 in Tynaarlo.

D6 in de kunst

Meerdere kunstenaars zagen het bijzondere karakter van dit hunebed. Al in 1790 maakte Engelbertus Engelberts er een tekening van. In de negentiende eeuw lieten onder andere enkele schilders van de Haagsche School hun blikken op het hunebed bij Tynaarlo vallen. Lodewijk Dubourcq, Willem Roelofs, Alexander Mollinger, Pieter Stortenbeker en Taco Mesdag maakten er een kunstwerk van. Ook bestaat er een bekende oude schoolplaat met de titel ‘De heide met hunebed bij Tinaarloo.’ Bernard Bueninck maakte de oorspronkelijke aquarel daarvan in 1901. En ik kan me voorstellen dat uitgerekend dit hunebed zo’n aantrekkingskracht heeft op kunstenaars. De compacte overzichtelijke vorm laat zich prima in een kunstwerk plaatsen. Het is veel moeilijker om een complex langgerekt hunebed als D27 in Borger of D53 in Havelte elegant in een gemiddeld kader te frotten.

Aquarelschets: Hunebed D6 bij Tynaarlo
Kleine aquarelschets van hunebed D6 in Tynaarlo.

Hunebed in verschillende kunstvormen

Hieronder staan verschillende artistieke interpretaties van het hunebed D6 bij Tynaarlo. Ze zijn allemaal van mijn hand. Bij sommigen liet ik me leiden door de stijl van een geronommeerde vakbroeder, bij anderen volgde ik mijn eigen weg. Niet alle werken staan in mijn atelier. Een paar staan op een harde schijf omdat het digitale kunst is. Wil je direct een print van deze hunebedkunst bestellen op een t-shirt of in een lijst? Kijk dan naar de mogelijkheden in de shop. Neem contact met me op als je daar niet vindt wat je wilt. Dan kijk ik of ik speciaal iets naar je wens kan maken.

Hunebedkunst: Tynaarlo 01, Een eerbetoon aan Roy Lichtenstein

Lichtenstein (1923-1997) is één van de grote meesters van de pop art. Zijn faam dankt hij vooral aan uitvergrote stripplaatjes, die eenmaal uit hun context gehaald sterke op zichzelf staande kunstwerken bleken. Onderstaande digitale tekening is net als sommige werken van Lichtenstein uit primaire kleuren opgebouwd met gebruik van rasters.

Hunebedkunst 01: Een eerbetoon aan roy Lichtenstein

Hunebedkunst: Tynaarlo 02, Rood tegen groen

Het roze graniet van het hunebed versterkt tot rood tegen een groene achtergrond. Acrylverf op canvas, 30 x 40 centimeter. Meer info vind je in de galerie.

hunbedkunst: Tynaarlo 02

Hunebedkunst: Tynaarlo 03, Een eerbetoon aan Piet Mondriaan

Totale rechte abstractie in primaire kleuren maakte Piet Mondriaan (1872-1944) wereldberoemd. Dit werk is niet zo abstract als dat van hem. Maar ja, de uitdaging was om een hunebed in De Stijl weer te geven …

Hunebedkunst: Tynaarlo 04, Paarsrood tegen blauw

Geschilderd op zwart canvaspapier van 30,5 x 40,6 cm. Daardoor is het geheel een stuk duisterder dan de andere interpretaties op deze pagina. Meer info vind je in de galerie.

Hunebedkunst Tynaarlo 04

Hunebedkunst: Tynaarlo 05, Paarsrood tegen lichtgroen

Het roze graniet van het hunebed versterkt tot paarsrood tegen een lichtgroene achtergrond. Aquarelverf op papier, 29,5 x 41,5 centimeter. Meer info vind je in de galerie.

Galerie Hunebedkunst. Tynaarlo 05. Aquarel.

Hunebedkunst: Tynaarlo 06, Inkt tegen lichte tinten

Digitale kunst die het gebruik van inkt simuleert. De oorspronkelijke tinten van de foto zijn gedempt zichtbaar op de achtergrond.

Dolmen bij Tynaarlo, digitale kunst

Hunebedkunst: Tynaarlo 07, Roze op licht- en donkergroen

Een flink schilderij van 60 x 80 centimeter. Zachte roze ondertonen contrasteren met licht- en donkergroen gras. De contouren van het hunebed omvatten expressieve abstracte verfstreken in rood, blauw, wit en zwart. Meer info vind je in de galerie.

  • Hunebed D6 Tynaarlo kunstwerk
  • Hunebed D6 Tynaarlo, een detail van een schilderij
  • Harry Wibier en hunebedkunst (D6 Tynaarlo)
  • Twee keer schildetij D6 Tynaarlo. Hunebedkunst.

Hunebedkunst: Tynaarlo 08, Een eerbetoon aan Friedensreich Hundertwasser

Zijn architectuur is wereldberoemd. Je kan er niet omheen als je in Wenen bent. Ook de overige kunst van Friedensreich Hundertwasser is zeer karakteristiek, kleurrijk en vrolijk makend. Vandaar een aquarel van 29,5 x 41,5 centimeter. Meer info vind je in de galerie.

Tynaarlo 9; een eerbetoon aan Friedensreich Hundertwasser

Geplaatst op

Vuursteenmijnen Valkenburg. 6000 jaar geleden de duistere diepte in

Werken in de vuursteenmijnen Valkenburg

De Vuursteenmijnen in valkenburg geven een unieke gratis blik op het leven van onze verre voorouders. Maar waar kijken we eigenlijk naar?

Het ontstaan van de vuursteenmijnen in Valkenburg

Afdaling prehistorische vuursteenmijn

Lang voor de introductie van vlaaien en carnaval kolkt boven Limburg een zee. In de loop van vijfenzestig miljoen jaar levert dat een dikke laag kalksteen met vuursteenknollen en -platen op. Onze voorouders zijn gek op vuursteen, want het is zo hard als staal en zo broos als glas. Met een beetje handigheid en geduld kan je er messen, bijlen en speerpunten van maken. Dat maakt het materiaal onmisbaar om de dichtbegroeide oerbossen te lijf te gaan, landbouwgrond te creëren en te jagen en verzamelen. Geen wonder dus dat de vraag zo`n zesduizend jaar geleden – al voor de bouw van de hunebedden – enorm is. Dat maakt het de moeite waard om te gaan graven.

Illustratie afdaling prehistorische vuursteen mijn

Werken in de vuursteenmijnen

Het is geen pretje in de vuursteenmijn. Eerst gaat het loodrecht naar beneden. Daarna lopen er nauwe horizontale schachten de aarde in. Er is amper genoeg ruimte om te bewegen. Als je de schachten ziet, vraag je je af of dit het werkterrein is van kleine mensen of kinderen. Hoe het er echt aan toeging zullen we helaas nooit weten. Het blijft prehistorisch terrein. Beschrijvingen, tekeningen of andere documentatie is afwezig. De herinnering is voorgoed verdwenen in de tijd.

De herontdekking van de vuursteenmijnen

Op zich is het al een wonder dat we tegenwoordig een blik kunnen werpen op dit stukje late prehistorie. Het is dat de moderne mens meerwaarde ziet in kalksteen en in de negentiende eeuw de voet van de Cauberg afgraaft. Dit ontbloot enkele prehistorische schachten die nu zorgvuldige zijn vrijgemaakt en afgeschermd zodat iedereen ze kan zien. Sinds 2003 zijn de vuursteenmijnen van Valkenburg een rijksmonument. Andere prehistorische vuursteenmijnen kan je bezoeken in Rijckholt – St. Geertruid.

  • Schacht Neolithische Vuursteenmijn
  • Stukje zichtbare schacht vuursteen mijn Valkenburg
  • Herdenkingsbord bij prehistorische vuursteenmijn Valkenburg
  • Schacht Prehistorische Vuursteenmijn Valkenburg
Geplaatst op

De javamens. Honderd jaar geleden een prehistorische sensatie. En nu?

Javamens of homo erectus

Het gebeurde in 1891 en 1892. De Nederlander Eugène Dubois (1858-1940) vond op Java bij een bocht van de Solorivier menselijke overblijfselen die de academische wereld op zijn grondvesten deed trillen. Pithecanthropus erectus was de naam die Dubois aan de nieuwe menssoort gaf. Anderen spraken van de Javamens. Wetenschappers raakten erdoor verdeeld. Waarom eigenlijk? En waarom heeft niemand het meer over deze Pithecanthropus erectus of Javamens? 

De zoektocht naar de ontbrekende schakel

Tegenwoordig kunnen we ons moeilijk voorstellen dat de evolutietheorie van Charles Darwin ter discussie stond. Toch geloofden veel mensen aan het einde van de negentiende eeuw niet dat de geciviliseerde mens zijn voorouders deelt met apen. De destijds recentelijk gevonden resten van de neanderthaler behoorden volgens deze tegenstanders toe aan misvormde mensen. Wetenschappelijk bewijs voor de evolutietheorie ontbrak daardoor in deze zienswijze. Daarom zochten voorstanders van de evolutietheorie naar een geraamte dat zich in zijn vorm onomstotelijk halverwege de aap en de mens bevond. De ontbrekende schakel noemden zij dat.

De commotie rondom de javamens

Dubois vertrok naar Indonesië om die te vinden. Ondanks de scepsis en gebrekkige medewerking uit zijn omgeving werkte hij op Java vastberaden aan de afgraving van een half miljoen jaar oude aardlagen. Daar vond hij een schedeldak met een bijzonder vorm; met een verhoging bij de wenkbrauwen en een vanaf daar bijna horizontaal oplopende bovenkant. Desondanks bleek de inhoud veel groter dan mogelijk voor een aap. Bovendien vond hij een been dat erop duidde dat deze verre voorouder rechtop liep. Reden genoeg voor Dubois om de vondst van de ontbrekende schakel te claimen. Maar natuurlijk was er scepsis.”Teveel aap” of “teveel mens” oordeelde menig wetenschapper. Of: “Wie zegt dat been en schedel bij elkaar horen?”

Schedel javamens
Het Schedelfragment dat Dubois vond. Opvallend is de knik aan de linkerkant, vlak boven de wenkbrauwen.

Het voortschrijdend inzicht rondom de javamens

Meer vondsten volgden. Die van de nauw verwante pekingmens was erg belangrijk, maar dat gold ook voor de talloze vondsten in Afrika. De onderlinge verschillen waren zo klein dat paleoantropologen ze halverwege de twintigste eeuw allemaal onder één noemer plaatsten: homo erectus. En zo heet de javamens van Dubois tegenwoordig. De ontdekker staat wereldwijd in vakliteratuur vermeld als pionier in de paleoantropologie en initiator van baanbrekende inzichten over het ontstaan van de mens. Eugène Dubois dus. Onthoudt die naam, want de man heeft het verdiend.  

De Javamens bezoeken

De vondsten die Dubois deed bij de Solorivier liggen tegenwoordig in Naturalis, het nationaal onderzoeksinstituut voor biodiversiteit in Leiden. Twee ervan behoren tot de topstukken van de collectie. Het eerste is het fameuze schedeldak van de javamens of homo erectus. Het tweede is een schelp met ingekraste geometrische patronen van ongeveer een half miljoen jaar oud. Pas in 2008 ontdekte een wetenschapper deze oudst bekende door mensen gemaakte inscripties. Een ander sensationeel item in Naturalis is de levensechte reconstructie die kunstenaars Adrie en Alfons Kennis maakten van een homo erectus.

Wie geïnteresseerd is in Dubois en meer over hem wil weten, kan naar Museum het Ursulinenconvent. Een permanente tentoontstelling daar informeert bezoekers over leven en werk van deze briljante en volhardende wetenschapper. 

Geplaatst op

Jagen en verzamelen. Waarom doen we dat niet langer?

Tekening jagen verzamelen

Veruit het grootste deel van de geschiedenis leefden mensen van jagen verzamelen. Bijna twee miljoen jaar lang kenden zij geen andere manier om aan eten te komen. Iets meer dan tienduizend jaar geleden kwam daar geleidelijk aan verandering in met de agrarische revolutie. Eerst in Azië, daarna in Europa. Andere delen van de wereld volgden. Zeker met de Europese expansie na de Middeleeuwen verdween deze manier van voedselvergaring snel. Tegenwoordig zijn echte jager verzamelaars een zeldzaamheid, een toeristische attractie. Waarom eigenlijk? Er is best iets te zeggen voor jagen en verzamelen …

Voordelen van jagen en verzamelen

Denk bij jagers en verzamelaars niet alleen aan prehistorische mammoetjagers. Sterker nog, een groot gedeelte van hen eet vooral bessen, zaden, noten, vis, kleinwild en schaaldieren. Ze kunnen haast niet anders. Allereerst is het een veilig alternatief voor de jacht op een groot gevaarlijk dier. In de tweede plaats is de populatie dieren beperkt. Ook in de prehistorie lag het gevaar van uitroeiing om de hoek. In Australië blijkt de mens bijvoorbeeld de hoofdverantwoordelijke voor het uitsterven van de megafauna. Waar mensen verschijnen dreigt dus uitputting …Niet alleen als gevolg van de jacht, maar in extremere mate ook door het boerenbedrijf. En dat is niet het enige nadelige gevolg van de agrarische revolutie. Hieronder staan drie nadelige gevolgen van het boerenbestaan.

1. Uitputting

Een blik op een akker met monocultuur of op de intensieve veehouderij is genoeg om te zien dat ook het agrarische bedrijf schaduwzijden heeft. Op plekken als deze is het natuurlijk evenwicht ver te zoeken. Gevolgen zijn onder andere epidemieën onder het vee en een tanende insectenpopulatie. De biodiversiteit neemt af. De landbouw is dikwijls destructief voor het oorspronkelijke natuurlijke evenwicht. Denk bijvoorbeeld aan de verdwijning van de Nederlandse oerbossen die een rechtstreeks gevolg is van oprukkend boerenbedrijf. Deze geschiedenis dreigt zich te herhalen in de Amazone waar jager verzamelaars moeten wijken voor intensieve landbouw. 

2. Voedingsstoffen

Niet voor niets verwijzen tal van diëtisten en deskundigen naar de prehistorie als het gaat om gezonde voeding. Het paleodieet is al lange tijd erg populair. De belangrijkste reden daarvoor is dat het dieet van een jager verzamelaar geen geraffineerde suikers of een overdaad aan vetten en koolhydraten bevat. Integendeel; het paleolithisch voedingspatroon kent veel variatie en bevat louter gezonde voedingsstoffen. Wie leeft van vlees, groente, fruit, noten, zaden, knollen, vis en andere voeding die in de natuur voorkomen, leeft gezonder. Zelfs de eerste boeren ondervonden dat, want ook zij kregen net als wij naar verhouding veel meer graan en minder gevarieerd voedsel binnen.

3. Vrijheid en gelijkheid

Een akker en een veestapel brengen verplichtingen met zich mee. Als boer ben je al snel met niets anders bezig dan ploegen, zaaien, wieden, oogsten, melken, opruimen en nog veel meer. Dag in, dag uit, het grootste gedeelte van de dag. Jagen en verzamelen is wat dat betreft een alternatief dat veel meer vrijheid en afwisseling biedt, want met een paar uurtjes per dag is het werk wel bekeken. En er is niemand die zegt wat je moet doen. Dat is een groot voordeel ten opzichte van het boerenbedrijf, want daar waar landbouw ontstaat, ontstaat ook al heel snel ongelijkheid in de vorm van hiërarchie en patriarchaat. Paleolithische oermoeders hebben wat dat betreft meer vrijheden dan die uit neolithicum.

Voordelen van landbouw boven jagen en verzamelen

Toen de eerste boeren vanuit het oosten zo’n 7.500 jaar geleden in ons land aankwamen was er in de letterlijke betekenis allerminst sprake van een agrarische revolutie. De jagende en verzamelende oer-Nederlanders gingen nog eeuwen door met hun traditionele manier van leven. Misschien wel omdat zij doorhadden dat het boerenbedrijf niet perse de kansen op een beter leven vergrootte. Het duurde lang voordat de landbouw substantieel toenam. Waarom onze voorouders uiteindelijk toch overstag gingen? Misschien kregen zij wel het vermoeden dat de voordelen van landbouw de nadelen in de schaduw stelden. Hieronder staan drie voordelen van het boerenbestaan ten opzichte van jagen en verzamelen.

1. Overschot

Een groep jagers verzamelaars heeft een hele grote oppervlakte nodig en die levert dan net genoeg voedsel op. Als de groep te groot wordt, valt hij uiteen. Een deel trekt dan verder naar een ander gebied. Hoe anders is dat met boeren. Ze werken harder, maar krijgen ook meer. Er blijft zelfs voedsel over. Sinds de uitvinding van keramiek kunnen boeren dat overschot bewaren. Als de bevolking groeit, blijft er daardoor genoeg voedsel over voor ieder lid van de groep. Niemand hoeft te vertrekken. De belangrijkste reden dat de mensheid sinds tienduizend jaar kan uitdijen is de agrarische revolutie. 

2. Technologische ontwikkeling

Natuurlijk, de jagers en verzamelaars deden ook uitvindingen. Hele belangrijke zelfs. Vuur. Knopen. Speerwerpers. Messen. Schrapers. Maar sinds de komst van de landbouw gaat het een stuk sneller. Dat geldt niet alleen voor specifieke gebruiksvoorwerpen als keramiek en de ploeg (metaal), maar ook voor de uitvindingen die erop volgen om alle overschotten te kunnen administreren, beheren, bewaken en distribueren. Het wiel. Schrift. Cijfers. Het fort. Geld. En – het is hierboven al genoemd – de hiërarchie.

3. Specialisatie

Het belang van hiërarchie laat zich moeilijk overschatten. Waar jagers en verzamelaar doorgaans redelijk gelijkwaardig zijn, werpt zich bij boeren vaak snel een centraal gezag op. Slechts zelden gaat dat door middel van een democratisch proces. Meestal is er een koning of stamhoofd dat de verdediging van land en productie op zich neemt door surplus van het land te onttrekken voor het voeden van een staande legermacht. En dan is er een smid nodig, een ambtenarenapparaat, wagenmakers, kleermakers. Want boeren hebben daar allemaal geen tijd meer voor. Eigenlijk kun je wel stellen dat met de agrarische revolutie de basis ontstaat voor onze huidige samenleving.

Hunter Gatherer (Jagen en verzamelen) T-shirt
T-shirt (Hunter Gatherer),
Verkrijgbaar in de shop.

Waarom we niet meer jagen en verzamelen

Misschien heb je het al door. Ondanks de ecologische voordelen, de gezondere voeding en de grote hoeveelheid vrije tijd die jagen en verzamelen met zich meebrengen bestaat er geen enkele kans dat wij ooit weer allemaal fulltime jagers en verzamelaars worden. We zijn met teveel, we hebben ons met allerlei uitvindingen van de natuur afgekeerd en onze kennis is veranderd. Wat ons rest is oertijdnostalgie. En laten we wel wezen: Slechts een enkeling prefereert een open vuur boven Netflix, kou boven de thermostaat en wildplukken boven M&M’s. Desalniettemin is het mogelijk het beste van beide werelden met elkaar te combineren. Met een paleodieet bijvoorbeeld. Je kan zelfs proberen een geldloos leven te leiden. Maar in kleine groepjes rondtrekken, herten schieten met pijl en boog en stoppen met belasting betalen behoort helaas niet meer tot de mogelijkheden.

Geplaatst op

De oudste kunst ter wereld. Van schelpenketting tot leeuwenman

Zolang de mens bestaat creëert hij. Sterker nog; de voorlopers van de mens creëerden al. Dat blijkt onder andere uit stenen werktuigen van meer dan drie miljoen jaar oud. Ze zijn in 2015 gevonden bij het Turkanameer in Kenia. Wie ze gemaakt heeft is onbekend. Wel weten we dat mensen – voorouders met het voorvoegsel ’homo’ in hun naam – toen nog niet bestonden. Het gaat te ver om deze werktuigen kunst te noemen. Woorden als ‘kunst’ en ‘prehistorie’ laten zich namelijk lastig definiëren. Toch bestaat een aantal prehistorische objecten en schilderingen die wetenschappers unaniem als kunst betitelen.

Grotkunst in Frankrijk en Spanje

De grotten van onder andere Lascaux, Rouffignac, Chauvet en Altamira zijn wereldberoemd vanwege de fantastische schilderingen die de Cro-magnonmens er maakte. De oudste afbeeldingen zijn ongeveer 30.000 jaar oud. Tot voor kort gold deze kunst als de oudste ter wereld. Inmiddels weten we beter.  

De oudste kunst? Grottekening uit Rouffignac

De Leeuwenman van Hohlenstein Stadel

Dit wonderlijke ivoren beeld meet iets meer dan dan 30 centimeter. Het is ontegenzeggelijk de oudste antropomorfe kunst ter wereld; half man, half leeuw. Als je dit bijna 40.000 jaar oude object wilt bekijken, kan dat in het Ulmer Museum.

De Venus van Hohle Fels

Dit kleine beeldje van 40.000 voor Christus bevindt zich in het Urgeschichtliches Museum van Blaubeuren. Het stelt een voluptueus vrouwenlichaam voor. De betekenis is in de loop der tijd verloren gegaan. Het kan porno zijn, maar evengoed een religieuze betekenis hebben. Dat geldt ook voor vergelijkbare – iets jongere – beeldjes die elders in Europa gevonden zijn. Voorbeelden zijn de Venus van Lespugue en de Venus van Kostjonki.

Kunst en prehistorie: Venusbeeld of moedergodin

De grotschilderingen van Sulawesi

In het zuiden van dit Indonesische eiland bevinden zich meerdere grotten met oeroude schilderingen die zijn gemaakt met oker. De oudste is 45.000 jaar oud en bevindt zich in de grot Leang Tedongnge. De afbeelding stelt een wild varken voor. Eigenlijk gaat het om drie varkens, maar twee zijn zo verweerd dat ze amper nog herkenbaar zijn. Niet ver daar vandaan siert een bijna even oud jachttafereel de wand van een grot met de naam Leang Bulu’Sipong. De grottekeningen van Sulawesi staan nu alom bekend als de oudste kunst ter wereld.

De oudste kunst ter wereld? De grottekening van een wild varken op Sulawesi

Ouder dan de oudste kunst

Neanderthaler

Archeologen vonden in de Cueva de los Aviones handafdrukken en een schildering die een ladder lijkt voor te stellen. Ook lagen er schelpen die door een perforatie de indruk wekken ooit onderdeel van een ketting te zijn geweest. Al deze Spaanse vondsten zijn meer dan 60.000 jaar oud. Daarmee staat vast dat niet homo sapiens, maar de Neanderthaler aan de oorsprong van deze creaties staat. Deze menssoort heeft overigens nog meer bijzonders achtergelaten; petrogliefen in La Ferrassie bijvoorbeeld en zelfs een heuse steencirkel in Bruniquel. 

Oker op een scherf

De Blombos grotten in Zuid Afrika gaven het restant van een tekening prijs van vermoedelijk 73.000 jaar oud. De afbeelding is zo groot als twee duimnagels en het is onmogelijk vast te stellen wat hij voorstelt of waar hij deel van heeft uitgemaakt.

Oudste kunst of niet?

Het is niet uitgesloten dat er nog veel oudere beeldjes dan de Venus van Hohle Fels bestaan. De Venus van Tan Tan uit Marokko bijvoorbeeld. Die kan meer dan 300.000 jaar oud zijn. Helaas valt daarvan niet eenduidig vast te stellen of het is gemaakt door mensen of dat het langs natuurlijke weg zijn vorm heeft gekregen.

Wat zegt de oudste kunst ter wereld?

Al deze prehistorische creaties zijn sowieso al fascinerend vanwege hun ouderdom en vaak ook vanwege hun schoonheid. Daarnaast vertellen ze ook nog een verhaal over onze herkomst en afkomst. De belangrijkste les is misschien nog wel dat de prehistorische mens onmiskenbaar blijkt te beschikken over abstract denkvermogen. En dat geldt niet alleen voor homo sapiens. Menselijk intelligentie blijkt al in een vroeg stadium tot bijna onvoorstelbare prestaties in staat. 

Geplaatst op 1 Reactie

Oerbos. Waar kwam het vandaan en hoe is het verdwenen?

Oerbos (digitale kunst)

In Nederland bestaat geen oerbos. Ongerepte oude natuur vind je totaal niet meer terug in ons land. Zelfs de Veluwe, de Biesbosch en de Utrechtse Heuvelrug zijn relatieve nieuwkomers die pas lang na menselijk ingrijpen zijn ontstaan. Hoe dat kan lees je hieronder.

IJswoestijn

Ver voor het oerbos: De IJstijd

Eerst was er niets. En er was zee. Limburg lag aan de kust. Met de grote bevriezing trok het water zich terug. Nederland kwam boven water. De rand van een enorme hoge ijsplak schoof langzaam van noord naar zuid en stuwde zand omhoog tot de eerste heuvels van ons land. Honderdduizend jaar geleden trok dat ijs zich terug, maar niet voor lang. Een laatste koude periode veranderde ons land in een ijswoestijn en een toendravlakte. Zand stoof rond en hoogde onze heuvels op. Tot 12.000 jaar voor Christus. Toen braken heel langzaam warmere tijden aan. De toendra die toen al tienduizenden jaren het landschap vormde verdween langzaam maar zeker.

De eerste aanzet tot een bos

Geen bos zonder bomen. De pioniers van het Nederlandse bomenrijk zijn de dwergberk en de dwergwilg. Poolgras en korstmossen vormen hun gezelschap, evenals sneeuwhazen, rendieren en poolvossen. Mensen zie je nog weinig in die tijd, maar ze zijn er wel. Het zijn nomaden die rendieren hoeden. Terwijl de aarde verder opwarmt komen steeds meer bomen en planten tot ontwikkeling in het gebied dat wij veel later leren kennen als Nederland. De dwergberk en de dwergwilg maken plaats voor grotere soortgenoten. Ook de jeneverbes, de duindoorn en de grove den doen hun intrede. Langzaam ontstaat een parkachtig landschap.

De eerste bomen, voor het oerbos

10.000 Voor Christus en later

Water is er ook. Het blijft liggen op plekken waar zich in het verre verleden een laag keileem heeft gevormd. Zwarte elzen en lijsterbessen voelen zich daar lekker. Met de nieuwe Flora ontstaat ook steeds meer nieuwe fauna. Denk bijvoorbeeld aan wilde paarden, wisenten, oerossen, herten, lynxen, beren en wolven. De schaars aanwezige mensen geven hun nomadenbestaan op om van de jacht te gaan leven. Maar het is allemaal tijdelijk. Het lijkt een soort generale repetitie, want 9.000 voor Christus daalt de temperatuur een laatste keer. Daarbij veroorzaken vulkanen in de Eifel en blikseminslagen enorme branden. Een nieuwe toendra ontstaat. Lang blijft die niet bestaan.

Het Nederlandse oerbos ontstaat

De echte voorstelling begint. Net als bij de repetitie begint het met berken en grove dennen. Grassen en struiken vullen de ruimte ertussen. Het is 8.000 voor Christus. Het klimaat wordt gunstig voor nieuwkomers; de hazelaar, de iep, de populier, de eik, de els en de linde verschijnen, evenals nieuwe struiken, mossen en varens. Voor het eerst is er sprake van dichte begroeiing en een landschap dat een vol oerbos genoemd kan worden. Niet heel Nederland raakt dicht begroeid. Venen en moerassen zijn er ook. Sommige begroeiing voelt zich thuis in de duinen aan de kust, andere langs grote rivieren.

Oerbos

De hoogtijdagen van het oerbos

Het is 5.500 voor Christus. Het kanaal ontstaat en Engeland komt los van Europa. In het oosten en het zuiden van ons land bevinden zich nu dichte bossen met een enorme biodiversiteit. De onverbiddelijke heerser van dit bonte bomenrijk is de eik. Hoog torent hij uit boven de groene massa, steun gevend aan klimop en genoeg licht doorlatend voor andere planten en bomen. Ook veel voorkomende bomen zijn de linde, de esdoorn en de zoete kers, evenals de hazelaar, de sleedoorn en de taxus. Op de grond groeit onder andere speenkruid, dovenetel en aronskelk.

Naast het oerbos

Het midden en noorden van Nederland kent veel open plekken, vooral op de schralere zangronden. De bossen daar bestaan hoofdzakelijk uit eiken en berken. Daarbuiten staan ook veel grovedennen. Planten als grote varens en bosbessen bedekken de bodem. Populieren en zwarte elzen staan vooral in de vochtige grond langs de rivieren die nog vrij door ons land meanderen. Maar niet meer voor lang … De meeste bewoners zijn nog jagers en verzamelaars, maar de eerste boeren vestigen zich rond 4.000 voor Christus in Limburg. Het kappen begint met bijlen van vuursteen.

Het begin van het einde van het oerbos

De pre-Limburgers verdwijnen. De pre-Drenthenaren die zich vestigen na 3.000 voor Christus blijven. Het zijn de hunebedbouwers. Op de open plekken beginnen ze te hakken met hun stenen bijlen. Nieuwe landbouwgrond ontstaat, vlak naast de dichte oerbossen waar de mensen jagen op het wild. Kleinvee eet iepetakken. Duurzaam is het allemaal niet, want de landbouwgronden verschralen na verloop van tijd. De boeren hebben geen keuze; om de groeiende gemeenschap te voeden moeten steeds meer stukken oerbos eraan geloven. De verlaten akkers veranderen deels in jong bos, maar ook in heidegebieden en stuifzandvlaktes.

Het brons, het ijzer en de oerbossen

Het is 1.6000 voor Christus. De uitvinding van het brons versnelt het tempo van ontbossing. Dit niet alleen doordat de vroege boeren sneller hakken met dit materiaal, maar ook omdat ze nu de dikke begroeiing te lijf kunnen. Als jaren later het ijzer zijn intrede doet neemt de ontbossing catastrofale vormen aan, vooral met de komst van de Romeinen die er lustig op los kappen om met het verkregen hout hun legerplaatsen mee te bouwen. Oorlog blijkt sowieso desastreus voor het Nederlandse landschap. Het absolute dieptepunt ligt vlak na de opstand tegen de Spanjaarden. Als de Armada is gezonken is ons land ontbost. Het hout is verdwenen in de schepen.

De balans van het oerbos

Onze voorouders hebben al het oerbos gekapt om de beschikking te krijgen over hout en landbouwgrond. Wisenten, oerossen, lynxen, wolven en nog veel meer dieren hebben het veld moeten ruimen. Hen leefomgeving werd gereduceerd tot stuifzand, heide en akkers. Is er dan niet positiefs te melden? Nou … een beetje. De eerste meer duurzame landbouw (dus met wisselteelt) ontstond na het vertrek van de Romeinen. Nieuwe boomsoorten deden hun intrede in ons land. Als eerste de beuk. Die vulde de eerste lege plekken die de mensen achter lieten. De Romeinen introduceerden de kastanje. En de afgelopen tweehonderd jaar kwamen daar nog heel veel soorten bij om van de woeste gronden weer bos- of landbouwgrond te maken. Denk bijvoorbeeld aan de douglasspar. Maar de oorspronkelijk oerbossen met hun unieke ecologie bestaan al honderden jaren niet meer. Ze komen nooit meer terug.

Bron: Ton van Wijlen, Bossenatlas van Nederland, uitgeverij Bigot & Van Rossum BV, 1984.  

Geplaatst op

Hunebedden in inkt. 30 Schetsen naar aanleiding van Inktober 2020

D04 Midlaren-O 03 Hunebedden in inkt

Als de herfst goed inzet, is het lekker om met inkt en papier bij de kachel te zitten en te tekenen. Vandaar dat ik een initiatief als Inktober helemaal begrijp. Het is een uitdaging voor tekenaars, bedoeld om de inktvaardigheden te oefenen en dagelijks een tekening te maken. Alhoewel de organisatie van Inktober voor iedere dag een themawoord verschaft, staat het iedere deelnemer vrij daarvan af te wijken. Mooi! Dan kan ik dus fijn Drentse hunebedden in de inkt gaan zetten.

Inktober

Tekenaar Jake Parker startte met Inktober in 2009. Hij had toen nog geen idee dat het tot zo’n groot succces zou leiden. Overal ter wereld gingen in de loop de jaren steeds meer tekenaars de uitdaging aan. Ze maakten tekeningen – meestal op basis van de thema’s die Jake voorstelde – en plaatsten die onder andere op Twitter en Instagram met de hashtag “Inktober”. Ben je enigszins geïnteresseerd in inkttekeningen? Kijk dan vooral eens op de sociale media wat er in dit kader allemaal bestaat. De even talrijke als verschillende bijdragen zijn fantastisch om naar te kijken.

Hunebedden in inkt

Gelukkig legt Jake niet te veel regels op om mee te mogen doen aan Inktober. Dat een deelnemer dagelijks bijdraagt is belangrijk, maar verder mag hij bijna alles met inkt doen wat hij wil. Dunne inkt, dikke inkt, pennen, stiften, kwasten, verdund of overdund, zwart of gekleurd; het maakt allemaal niet uit.

Inktmeesters

In de galerie kan je zien dat ik veel met aquarel- en acrylverf werk. Desalniettemin heb ik ook een passie voor inkt. Die is vooral ingegeven door jarenlang stripverhalen lezen. De meeste bewondering heb ik voor Hugo Pratt, de tekenaar van onder andere Corto Maltese. Als geen ander wist hij met gewaagde composities en scherpe contrasten spanning in tekeningen aan te brengen. Daarnaast kijk ik ook heel graag naar zwartwit werk van Robert Crumb, Edmond Boudoin en Will Eisner.

Stenen, gras en bomen

Nu ik me voor het eerst een maand lang exclusief met tekenen in inkt bezig houd, richt ik me niet op mensen en niet op strips. Het gaat om de hunebedden, neergezet met losse spontane bewegingen en telkens vanuit drie verschillende kanten. Iedere dag een tekening, dus iedere drie dagen een nieuw hunebed. Naar ik hoop levert het kijken ernaar net zoveel plezier op als het maken ervan!

Inktober 2020: Hunebedden in inkt

Wordt vervolgd …

Geplaatst op

De aap in ons. Frans de waal over gelijkenissen tussen aap en mens

De aap in ons (fragment coverfoto)

Wie heeft in de dierentuin nog nooit naar primaten en dus eigenlijk naar de aap in ons gekeken? Primaten bestaan in drie soorten: Halfapen, apen en mensapen. Die laatstgenoemde groep bevat Chimpansees, bonobo’s, gorilla’s, orang-oetans en gibbons. En mensen. Bioloog, primatoloog en psycholoog Frans de Waal maakt inzichtelijk hoeveel al deze mensapen op elkaar lijken. Ja, ook jij lijkt volgens De Waal op een chimpansee of een bonobo.

De aap in ons

Dit boek uit 2005 neemt nauwkeurige observatie van apen als basis. Daarin legt de Waal – gediplomeerd aapjeskijker – genadeloos alle groepsdynamiek bij chimpansees en bonobo’s bloot. Dat doet hij zo goed, dat hij vaak helemaal niet hoeft uit te leggen hoezeer het apengedrag lijkt op dat van mensen. De lezer snapt dat zelf wel. De Waals vertelstijl is daarbij zeer toegankelijk, niet in de laatste plaats door het gebruik van talloze anekdotes over de chimpansees en bonobo’s. Hij vertelt bijvoorbeeld over de machtstrijd tussen alpha mannetjes alsof het een heuze thriller betreft. Het gevolg is dat het boek zich soms amper weg laat leggen. Dat hij veel van zijn observaties deed hij bij Burgers’ Zoo in Arnhem, maakt het boek er voor Nederlanders alleen nog maar leuker op.

Door zijn verrekijker op de menselijke soort te richten, verschaft hij ons een onthullend beeld van de aap… in ons allemaal.

Desmond Morris

Meer aapjeskijkers

Natuurlijk bestaan er nog heel veel andere boeken over de verwantschap tussen mensen en apen. Het oudste is van Charles Darwin. Daarna verschenen nog talloze boeken over de prehistorie, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van ons oerbrein. Binnen dat enorme aanbod lijkt de benadering van De Waal nog het meest op die van Desmond Morris. Beide schrijvers werken als ware entertainers aan de hand van hele herkenbare voorbeelden. De Waal gebruikt echter minder plaatjes en leunt meer op wetenschappelijke verantwoording dan zijn Britse collega. Hij prijst hem, maar verbetert hem ook op enkele puntjes.

Chimpansees en bonobo’s

De ervaring van de Waal bestaat vooral uit de studie van chimpansees en bonobo’s. Uiterlijk lijken deze twee soorten sterk op elkaar. Innerlijk bestaan er echter grote verschillen. Het belangrijkste is dat chimpansees machtstrijd voeren die op gewelddadige manier vreselijk uit de hand kan lopen en bonobo’s daarentegen bij iedere dreigende escalatie onmiddelijk seks als oplossing kiezen. Dat maakt de laatstgenoemde soort een stuk vreedzamer. Niet gek dus dat De Waal na behandeling van macht, seks, geweld en vriendelijkheid dit boek eindigt met de vraag of mensen nou meer op chimpansees of op bonobo’s lijken. “Een beetje op allebei,” besluit hij. Daarbij plaatst hij optimistisch de opmerking dat alle mensapen vooral uitblinken in samenwerking. Dat maakt ze heersers over grote en sterkere dieren. Zo heel slecht is het dus niet met ze gesteld.

De aap in ons (coverfoto)
De aap in ons, elfde druk uit 2007

Frans de Waal

De aap in ons. waarom we zijn wie we zijn

Uitgeverij Contact, 2005

ISBN 978-90-254-28341

Geplaatst op

Kunst en prehistorie. Van neanderthaler tot picasso

Het is niet altijd eenvoudig om te bepalen wat prehistorische kunst is. De moeilijkheid ligt in de betekenissen van de woorden ‘prehistorie’ en ‘kunst’. Die zijn namelijk verre van eenduidig. Wat is ‘prehistorisch’ en wat is ‘kunst’? De vraag wat prehistorische kunst is laat zich dus best lastig beantwoorden. Hieronder lees je een poging.

Dit is kunst en prehistorie

Natuurlijk; sommige gevallen van prehistorische kunst laten amper ruimte voor discussie. Iedereen vindt de grottekeningen die de Cro-Magnon mens in de Dordogne achterliet prehistorische kunst. Die behoort tot de oudste kunst ter wereld. Dat geldt ook voor de kleine Venusbeeldjes of moedergodinnen uit diezelfde periode. Niet dat de makers zich daar bewust van waren. Voor hen was het geen kunst. Eerder waren het visuele bezweringen of hulpmiddelen bij initiatieriten. Niets meer dan dat. Alleen wij moderne mensen vinden het prehistorische kunst. Maar wat gebeurt er als we de grenzen van de begrippen ‘kunst’ en ‘prehistorie’ opzoeken? Weten we dan nog steeds zeker ertoe behoort en wat niet?  

Wat is kunst? 

Laten we beginnen met kunst. Grofweg staat dat woord voor de creatieve uitingen van mensen. In het geval van prehistorische kunst is dat best verwarrend. Paleoantropologen zijn het er namelijk onderling niet over eens wanneer er in de geschiedenis sprake is van een mensachtige en wanneer van een mens. En wat een creatieve uiting is laat zich ook al niet een-twee-drie duiden. Zonder te vervallen in technische details en vakjargon is dit misschien het beste te begrijpen met een bijl als voorbeeld. 

Sierbijl 

Stel je eerst een vuistbijl voor uit het neolithicum, de laatste periode van de Steentijd. De mooiste exemplaren zijn gladgeslepen, symmetrische sierobjecten. Het zijn technische hoogstandjes, evenwichtig vormgegeven uit prachtig moeilijk te bewerken materiaal. Volledig nutteloos. Tenminste, in onze ogen, want je kan er nog geen conifeer mee omhakken. Voor de maker had deze sierbijl mogelijk nut als een waardevol statussymbool of een indrukwekkend offerobject dat de goden gunstig stemt.  

De sierbijl is kunst 

De ambachtsman die de bijl heeft gemaakt beschikt over bewonderenswaardige vaardigheden. Hij kan helder denken, leren en geduldig lastig materiaal bewerken. Ook kan hij goed samenwerken en helder communiceren. Waarschijnlijk bewerkt hij ergens een akkertje. Zijn uiterlijk is verzorgd, zij het op een andere manier en met andere middelen dan wij dat tegenwoordig doen. Deze mens is ontegenzeggelijk creatief. Er is niet veel goede wil voor nodig om zijn creatieve uiting ‘kunst’ noemen. 

Vuistbijl 

De ene bijl is de andere niet. De ontwikkeling van stenen gereedschap beslaat een lange periode die groeiende vaardigheden en baanbrekende innovaties omvat. Bij de oudste exemplaren zie je amper verschil ten opzichte van een normale steen. Toch liggen deze lekker in de hand en kan je er uiterst effectief materiaal mee bewerken. Dat is niet toevallig. Een verre voorouder heeft de oorspronkelijke steen zorgvuldig geselecteerd. Daarna heeft hij er vanuit zijn ervaring met enige kunde een bruikbaar stuk gereedschap van gemaakt. 

Is een oude vuistbijl kunst? 

Of de maker een mens is kan je je afvragen. Mogelijke is het een mensachtige. De grenzen zijn vaag en hebben te maken met lerend vermogen, communicatieve vaardigheden en fysiologische kenmerken. De maker van een oeroude vuistbuil kan mogelijk niet eens praten. Maakt hij kunst? Eerlijk gezegd durf ik die vraag niet met zekerheid te beantwoorden. En eigenlijk twijfel ik ook bij de 175.000 jaar oude ondergrondse steencirkel die Neanderthalers bouwden nabij Bruniquel. Hetzelfde geldt voor de schelpenkettingen waar de schamele resten incidenteel van aan de oppervlakte komen. 

Kunst en prehistorie: Hunebed

Kan je een hunebed prehistorische kunst noemen? Ik vind van wel. Niet alleen omdat ze zo prachtig in het landschap liggen, elk met een duidelijk eigen karakter. Maar vooral omdat het creatieve uitingen van mensen zijn uit een ontegenzeggenlijk prehistorische periode. En soms is het best moeilijk om te bepalen wat een prehistorische periode is.

Wat is de prehistorie? 

De definitie van de Steentijd of de prehistorie lijkt alleen in eerste instantie simpel. Het is de voorgeschiedenis; de tijd waarin nog niemand schrijft en waar dus geen geschreven oorspronkelijke bronnen over bestaan. Alhoewel dat laatste eigenlijk weer niet helemaal klopt. Er bestaan namelijk beschrijvingen over volken die niet kunnen schrijven. Een voorbeeld daarvan is ‘Oorlog in Gallië’ door Julius Caesar. Maakt dat de Galliërs en andere Kelten prehistorisch? Veel wetenschappers vinden van niet. Voor dit soort twijfelgevallen bestaat daarom de term ‘protohistorie’. Persoonlijk bestempel ik Keltische artefacten zonder enige aarzeling als kunst, maar niet als prehistorische kunst. 

Prehistorie in de tijd 

Helaas bestaat er geen jaartal dat het einde van de prehistorie afbakent. Het is niet zo dat de geschiedenis of protohistorie begint op bijvoorbeeld 1 januari van het jaar 1.000 voor Christus. Dat kan ook niet. Bovenstaand voorbeeld van Galliërs en Romeinen geeft al aan dat protohistorie en historie op dezelfde tijd en plaats met elkaar slag kunnen voeren. Prehistorie, protohistorie en historie spelen zich dus voor verschillende culturen op hetzelfde tijdstip af.  

Prehistorie op locatie 

Daaruit blijkt dat het stempeltje ‘prehistorie’ niet alleen bestaat als gevolg van de factor tijd, maar ook als gevolg van de factor ruimte. De implicaties van die vaststelling rijken ver. Tal van volken zien zich sinds de kolonisatie van hun eigen stenen tijdperk binnen de invloedsfeer van de Westerse beschaving getrokken worden. Dat is een proces waarvan het destructieve karakter zich moeilijk laat overdrijven. Hele culturen verdwijnen of raken daarbij onherstelbaar ontwricht. Voor altijd. 

kunst en prehistorie in Australië 

Het is al onmogelijk om vast te stellen wanneer de prehistorie ophoudt in Europa. Hoe zit dat dan voor een continent als bijvoorbeeld Australië? De oorspronkelijke bewoners maakten prachtige kunst voordat de Europeanen kwamen en dat doen ze nog steeds. Hun grottekeningen van de afgelopen duizenden jaren zijn duizelingwekkend en kunnen met gemak de strijd aan met tal van hedendaagse kunstuitingen. Is het prehistorische kunst? En wanneer en waar is het prehistorische karakter dan verloren gegaan? Ik heb echt geen idee … 

geen kunst en prehistorie

Helemaal aan het begin van deze tekst stelde ik al dat veel betrokkenen het erover eens zijn dat we de Europese grottekeningen en Venusbeeldjes als prehistorische kunstuitingen kunnen zien. Daarna bleek het moeilijk te duiden tot hoever deze categorie zich uitstrekt. Daarom is het misschien interessant om de gedachten te laten gaan over het tegendeel van prehistorische kunst. Als de prehistorie zich aan de ene kant van het kunstspectrum bevindt, wat zien we dan aan de andere kant ervan?  

Renaissance kunst 

De grottekeningen van Lascaux stralen magie, mysterie en symboliek uit, alsof de schilder vat wil krijgen op de wereld om hem heen. Schilders uit de renaissance staan daar lijnrecht tegenover. Ze bootsen de werkelijkheid na tot in de perfectie zonder enige ambitie die met hun schilderwerk te veranderen. Symboliek en magie hebben plaats gemaakt voor techniek en ratio. De aandacht richt zich op de mens als middelpunt van het universum. Er bestaat weinig kunst die zo overduidelijk niet prehistorisch is.  

Primitivisme 

Het aardige is dat kunst die in tijd verder van de prehistorie afligt dan de renaissance in opzet, geest en uitvoering dichter bij de oertijd kan liggen. Neem bijvoorbeeld de werken van AR Penck. Deze kunstenaar hanteert een vormentaal die sterk aan grottekeningen doet denken. De ratio lijkt ver weg in zijn werk dat emotioneel aandoet en bol lijkt te staan van symboliek. Niet voor niets valt zijn werk onder het primitivisme. In de tijdlijn staat het veraf van prehistorische kunst. Desondanks is het meer prehistorisch dan de Mona Lisa.  

Etnische kunst 

Hetzelfde geldt voor veel etnische kunst. Of het nou om Afrikaanse maskers of versierde Polynesische boten gaat, magie en symboliek spelen een belangrijke rol. In tijd en ruimte is de afstand tot de grottekeningen van Lascaux groter dan die van de Vitruvius man, maar in geest en in opzet staat het er dichterbij. Net als de kunst van AR Penck en andere primitivisten. 

Conclusie kunst en prehistorie

De zoektocht naar de sluitende definitie van prehistorische kunst blijkt langer en complexer dan je in eerste verwacht. Ook al bestaat er kunst die ontegenzeggelijk prehistorisch is, sommige kunst is prehistorischer dan andere, zonder dat tijd en plaats daar relevante factoren voor zijn. Culturele context of persoonlijke intenties van de kunstenaar blijken op deze glijdende schaal veel belangrijker. Natuurlijk, niet iedereen kan nu prehistorische kunst gaan maken, maar het is zonder meer mogelijk om de essentie ervan te benaderen en zo grootse kunst te maken. Picasso wist dat. Iedere kunstenaar kan ruimte geven aan de oermens die nog diep binnen in hem huist.  

Geplaatst op

De Cro-magnon mens. Maker van oeroude grotkunst

Cro-Magnon in grot

Weet jij waarom de term Cro-Magnon mens vooral voorkomt in oudere boeken? Zelf had ik tot voor kort slechts een flauw vermoeden. Ik wist alleen dat deze verre voorouder een soort van opvolger van de Neanderthaler was. Het verschil met de moderne mens – homo sapiens sapiens – was mij niet duidelijk. Wil je weten wat ik sindsdien heb geleerd? Lees dan deze korte uiteenzetting over de Cro-Magnon mens.

Waar vind je Cro-Magnon?

Cro-magnon is een rots in de Dordogne, ongeveer een kilometer verwijderd van Les Eyzies. Eind negentiende eeuw kwam daar tijdens de aanleg van een weg een prehistorische schuilplaats van jager-verzamelaars aan de oppervlakte. De opgetrommelde wetenschappers stonden versteld van de aanwezige skeletten. Ze bleken namelijk niet te duiden vanuit de toenmalige kennis. De implicaties van Darwins evolutieleer begonnen net in te dalen en in die context leek het onmogelijk dat oude skeletten als die in Cro-Magnon identiek waren aan die van de moderne mens. In die opvatting hoorde een menselijk skelet uit de prehistorie namelijk op dat van een aap te lijken. De wetenschappers dachten daarom aan een nieuwe soort. Zij noemden die de Cro-Magnon mens.

De loop der tijd

De oudste skeletten in Cro-Magnon zijn zo’n 40.000 jaar oud, de jongste 10.000 jaar. Met de kennis van nu noemen we dat het laat paleolithicum, het laatste deel van de oude Steentijd. Het is een ijstijd. Homo sapiens sapiens heerst dan definitief over Europa. De Neanderthalers zijn verdwenen. Aangezien de wetenschap tegenwoordig geen ondersoorten meer onderscheidt binnen homo sapiens sapiens, komt de naam Cro-Magnon nog amper voor in moderne literatuur. Bovendien laten de grenzen in tijd en ruimte van de Cro-Magnondefinitie zich amper vaststellen; hoort een Spaanse voorouder er wel of niet bij? En tot welk jaar dan precies? In feite is dat een onzinnige discussie, want een skelet van Cro-Magnon verschilt niet wezenlijk van dat van je eigen overovergrootvader of dat van iedere andere homo sapiens sapiens.

Wat maakt Cro-Magnon bijzonder?

Cro-Magnon neemt in de geschiedenis van de archeologie een bijzondere plek in omdat deze rots cruciaal was voor de kennisvergaring rondom de evolutie van de moderne mens. Maar er is meer, want de regio rond Les Eyzies is nog steeds een van de belangrijkste vindplaatsen voor de prehistorische geschiedenis ter wereld. Nergens anders geeft de aarde in zo’n klein gebied zoveel informatie over de oermens prijs. Denk daarbij niet alleen aan menselijke overblijfselen, maar ook aan verfijnd stenen gereedschap, sieraden en zelfs aan kunst. Met name de vele rotsschilderingen in de regio behoren tot de oudste kunst ter wereld. Picasso was er enorm van onder de indruk. Zelf heb ik er een hele paleolithische collectie op gebaseerd.

Tips

Wil je de erfenis van de Cro-Magnon mens met eigen ogen zien? Dat kan! Hieronder vind je een lijstje van drie fantastische lokaties die je kan bezoeken:

  1. De grotten van Rouffignac: De plaatjes bij dit artikel geven een indruk van de grottekeningen die je in deze enorm lange grotten kan zien. Je vindt er in totaal meer dan 250. Vooral de mammoet komt er vaak op voor.
  2. Musée national de Préhistoire: Dit is de plek waar je de meest fantastische kleine beeldjes, gereedschappen en botten uit de regio kan bekijken.
  3. Lascaux II: De beroemde grot met prehistorische tekeningen is niet meer toegankelijk voor publiek. De gevolgen van openstelling bleken helaas funest voor het behoud van dit stuk werelderfgoed. Gelukkig hebben vaklieden de grot van Lascaux exact nagebouwd, inclusief de prachtige tekeningen. Dit mag je niet missen!

Geplaatst op

Vlaardingencultuur. Vroege bewoners van zuid-holland

Waarschijnlijk denk je niet gelijk aan Zuid-Holland als het over de Nederlandse prehistorie gaat. Toch kan je daar mooie resten uit de oertijd tegenkomen. Alleen al rond Rotterdam bevinden zich meerdere interessante sites. Het mammoetstrand op de Maasvlakte bijvoorbeeld. En als je naar Museum Vlaardingen gaat kom je ook super interessante objecten uit de steentijd tegen. Ze komen voort uit de zogenaamde Vlaardingencultuur. Of is het de Vlaardingengroep?

Grote boot

Een boot uit de ijzertijd van na de Vlaardingencultuur

Het opvallendste prehistorische object in het museum is een boomstamkano. Hij meet maar liefst 10,6 meter. Sommige hunebedden zijn kleiner … Hunebedden zijn ook bijna drieduizend jaar ouder, want deze kano komt uit ongeveer 700 voor Christus. Toch ziet hij er opvallend compleet uit en er zijn intensieve gebruikssporen zichtbaar. In een tijd dat er geen wegen waren diende hij om grotere hoeveelheden goederen en levensmiddelen als vis te kunnen vervoeren.

Krabbeplasman

Ook bijzonder is de 5000 jaar oude schedel van een vroege Vlaardinger. Hij staat bekend als de Krabbeplasman. Deze naam is een verwijzing naar de vindplaats. De reconstructie die naast de schedel staat brengt de oorspronkelijke mens verrassend dichtbij. Een opgestelde urn, een bijl en andere prehistorische objecten versterken dat effect. Het helpt de kijker er maar weer eens aan herinneren dat onze verre voorouders weinig van ons verschilden.

Vlaardingencultuur en -groep

Vitrine Museum Vlaardingen met objecten Vlaardingencultuur

De randstedelijke bodem heeft nog veel meer prijs gegeven dan de attributen in Museum Vlaardingen. Objecten komen van verschillende vindplaatsen rondom het stadje. Na de eerste vondsten spraken wetenschappers van de Vlaardingencultuur. Tegenwoordig is de naam Vlaardingengroep meer in zwang. Dit omdat het meerdere vindlokaties betreft. De deskundigen zijn het er niet over eens of het destijds tijdelijke verblijfplaatsen of vaste woonplaatsen waren.

Jagers, vissers of boeren?

De Vlaardingengroep leefde honderden jaren later dan de bouwers van de hunebedden. Toch kan je ze niet net als de vroege Drenthenaren bestempelen als boeren. Onder andere gevonden fuiken, messen en dierlijke resten maken duidelijk dat deze vroege Vlaardingers vooral leefden van jacht en visserij. De verschillende lokaties speelden specifieke rollen in de toenmalige voedselvergaring, die eerder aan het mesolithicum dan het neolithicum doet denken.

Bodemvondsten Vlaardingencultuur

Hoe komt het dat je in een gebied dat al zolang bedekt wordt met sediment uit de rivieren toch nog zulke fraaie overblijfselen uit de oertijd kan vinden? Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat onze voorouders net als wij van droge voeten hielden. Daarom zochten ze de hoge plekken op, waarvan de hoge lagen nu nog steeds relatief makkelijk bereikbaar zijn. De tweede reden is dat er veel bodemactiviteit is in het Rijnmondgebied. Zodra er iets gebouwd wordt, zijn archeologen er als de kippen bij om naar bodemschatten te zoeken. Daar profiteren instellingen als Museum Vlaardingen dan weer van.

Geplaatst op

Barbizon van het Noorden. schilderkunst uit drenthe over drenthe

Schilderij met hunebed

Drenthe inspireert. Jozef Israëls, Hendrik Willem Mesdag en Vincent van Gogh kunnen daarover meepraten. Het Drents Museum zet in samenwerking met Het Drentse Landschap de artistieke verrichtingen op een rijtje in de tentoonstelling Barbizon van het noorden. Het onderwerp is de ontdekking van het Drentse landschap van 1850 tot 1950. Het beste nieuws: Er zijn hunebedden.

Affiche Barbizon van het noorden

En plein air

Na de uitvinding van de verftube en de veldezel kunnen kunstschilders eind negentiende eeuw in de natuur werken. Of ‘En plein air’ zoals dat heet in kunstenaarskringen. Met de wind in het haar, zonnestralen op de huid en de neus in de frisse lucht! Dat is een enorme verbetering ten opzichte van het werken in het atelier, waar het contact met het landschap toch een stuk afstandelijker is. Het allerbelangrijkste is misschien nog wel dat in het veld de subtiele werking van het licht zich in al zijn aspecten laat aanschouwen. Zo kan dat in zijn totaliteit realistischer met snelle streken op het doek komen. De weg naar het impressionisme ligt open.

Barbizon

De eerste plek waar schilders elkaar in de negentiende eeuw opzoeken om in de open lucht te schilderen is Barbizon. Dat ligt vlak bij Fontainebleau, iets ten zuiden van Parijs. Het is makkelijk toegankelijk voor schilders als Théodore Rousseau, Jean Baptiste Corot en Jean-François Millet. Met stemmingvolle kleuren geven ze ter plekke vorm aan hun realistische kunst van 1830 tot 1870. Het idee slaat aan in andere Europese landen. Kolonies schieten als paddenstoelen uit de grond. Denk maar aan Tervuren in België of Skagen in Denemarken.

Barbizon van het Noorden

Nederland kent meerdere plaatsen waar kunstenaars elkaar treffen en genieten van de natuur. Domburg en Bergen zijn wellicht het bekendst. Maar vlak Drenthe niet uit! Plaatsen als Zweeloo, Rolde en Vries trekken hele vaardige schilders. Ze blijven dikwijls jaren hangen en maken prachtig werk. De bekendste is Vincent van Gogh. Hij reist naar de arme veengronden en maakt sociaal realistische kunst. Dit in tegenstelling tot de rest, die vooral de woeste natuur van de zandgronden afbeeldt. Barbizon van het noorden laat zien hoe virtuoos ze daarin zijn.

Hunebedden in Barbizon van het noorden

Persoonlijk ben ik vooral geïnteresseerd in de kunst rond hunebedden. Ik zie prachtig werk in het Drents Museum:

  1. 1861: Het hunebed van Tynaarlo van Willem Roelofs. (dit hunebed heb ikzelf in verschillende stijlen geïnterpreteerd. Zie: https://dolm.nl/hunebedkunst/ en ook https://dolm.nl/hunebedden-in-inkt/)
  2. 1861: Het hunebed van Tynaarlo van Alexander Mollinger.
  3. 1862: Hunebed van Hendrik Dirk Kruseman van Elten.
  4. Onbekend: Hunebed van Hendrik Kruseman van Elten.
  5. 1882: Hunebed in de Emmerdennen van Willem Wenckebach.
  6. 1927: Hunebed bij Eext van Johan Briedé (twee maal).
  7. 1983: Oude begraafplaats bij Loon van Berend Groen.
  8. Onbekend: Hunebed in het Evertsbos bij Anloo van Roos Bosnak – Nagtegaal.

En dat blijkt niet alles. Meer kunstwerken met hunebedden staan afgebeeld in het bijbehorende tentoonstellingsboek. Het depot en de buitenwereld verbergen nog meer schatten. De variëteit van de werken op de tentoonstelling is groot. Vooral het werk van de pointillist Briedé valt op, evenals het gestileerde hunebed van Berend Groen waar geen boom of struik bij is te zien.

Notities

Ik kan het niet laten om zelf wat notities te maken in mijn boekje en ga in de weer met aquarel en fineliner. Ik kies drie werken uit. Ten eerste dat van Bosnak-Nagtegaal vanwege de hoekige puntige vormen en het contrast tussen rood en groen. De volgende is het hunebed in de Emmerdennen van Wenckebach, want daarin zit zo lekker veel lucht en ruimte. Als laatste waag ik me aan het hunebed van Kruseman van Elten, vooral omdat ik zin heb me uit te leven in het contrast van blauw en oranje in de zonsondergang. Ja, ik ben gek op kleurcontrasten en ik beleef er plezier aan dat op hunebedden los te laten.

Conclusie Barbizon van het noorden

Drenthe inspireert. Vroeger en nu. Ik vind het prachtig om te zien hoe vakbroeders hunebedden interpreteren in hun schilderijen en ik probeer van hen te leren door goed te kijken en te herinterpreteren. Daarnaast is het ook betoverend om te zien hoe vaardige handen van talloze schilders andere delen van het Drentse landschap en de mensen die erin leven voor eeuwig in verf vangen. Het is jammer dat deze werken slechts een korte tijd bij elkaar zijn, maar heerlijk dat het even mogelijk is om ze zo in hun samenhang te kunnen bekijken.

Geplaatst op

Drentse hunebedden: Wat, waar, wie, waarom en hoe?

De Drentse Hunebedden zijn imagobepalend voor de provincie. Iedere Nederlander kent ze. De historische context is daarentegen minder bekend. Lees hieronder wie ze bouwde en waarom. Als je daarna nieuwsgierig genoeg bent om een echt Drents hunebed te gaan bezoeken, kan je ook nog een paar tips lezen. 

Wat zijn hunebedden? 

Er zijn veel definities denkbaar voor een hunebed. De een heeft genoeg aan “een hele oude stapel stenen,” waar de ander meer kan met een omschrijving als “een megalithische grafkamer uit het neolithicum (4000-3000 v.Chr.) die bestaat uit ten minste drie staande draagstenen en die is overdekt door tenminste een deksteen.” In essentie komt het erop neer dat een hunebed het overblijfsel is van een grafheuvel die de eerste boeren in de late prehistorie hebben gebouwd. Er bestaan verschillende typen met verschillende kenmerken; groot, klein, een kamer, meer kamers, lange gang, korte gang, met een knik in de gang, zonder gang, met stenenkrans en noem maar op. In Nederland kennen we vooral de zogenaamde portaal- en ganggraven. 

Één van de Drentse hunebedden D27 bij Borger.

Waar vind ik hunebedden? 

Hunebedden vind je op de gekste plaatsen, ook buiten Europa. Ze staan zelfs in de Verenigde Staten en Japan. Het lijkt er dus op dat bijna ieder volk dat de beschikking had over stenen en keien deze op enig moment gebruikte om iets mee te bouwen. In Nederland bevinden zich iets meer dan vijftig hunebedden. Dat is kinderspel vergeleken met landen als Frankrijk, Duitsland en Denemarken. Daar liggen er honderden. Zoveel heeft Nederland er nooit gehad. Ook vroeger niet. De overgebleven Drentse Hunebedden liggen vooral in een lijn van Zuidlaren naar Emmen, in het oostelijke deel van de provincie.  

Wie bouwde de Drentse Hunebedden? 

De hunebedden stammen uit de prehistorie. Dat betekent dat de bouwers geen teksten hebben achter gelaten over wie zij waren, wat zij geloofden of wat ze deden. Alle kennis is over hen is dankzij bodemvondsten tot ons gekomen. Zo weten wij onder andere dat ze aardenwerken potten maakten in de vorm van trechters. Vandaar dat historici de bouwers van de Drentse hunebedden vaak de boeren van de Trechterbekercultuur noemen. Want dat het boeren waren weten we ze zeker. Ze hadden kleine veldjes aan de rand van het oerbos. Ze verbouwden bijvoorbeeld tarwe en linzen. Desalniettemin verzamelden ze ook bessen en ander voedsel in de bossen. Ook jaagden ze en visten ze. 

Één van de Drentse hunebedden D27 bij Borger.

Waarom werden Drentse Hunebedden gemaakt? 

De Trechterbekercultuur kwam niet alleen voor in Nederland, maar strekte zich uit tot Denemarken, Zweden, Duitsland en Polen. Zij bestond van circa 3400 tot 2850 voor Christus. Het ligt voor de hand om te denken dat land heel belangrijk was voor deze eerste boeren en dat zij daarom een grote heuvel bouwen om hun stempel op het grondgebied te drukken en hun doden te begraven. Er is aanleiding om te denken dat de doden bij speciale gelegenheden soms (gedeeltelijk) uit de grafheuvel werden gehaald en een rol tussen de levenden vervulden. Maar helemaal zeker weten doen we dat natuurlijk niet. 

Hoe bouw je een hunebed? 

Als je een hunebed wil bouwen, heb je vooral grote stenen nodig. Gedurende de ijstijd kwamen die met het oprukkende ijs naar ons land. Het ijs verdween, de stenen bleven. De boeren van de Trechterbekercultuur maakten daar het skelet van een grafheuvel van. De ruimte tussen de stenen vulden ze op met kleinere keien en het geheel dekten ze af met aarde. Soms legden ze er nog een keienkrans omheen. Iedere gemeenschap bouwde zijn hunebed op zijn eigen manier. Waarschijnlijk maakten ze daarbij gebruik van houten stammen. Die dienden als hefboom. Ook konden hunebedbouwers er stenen overheen rollen. Door een heuvel van zand te maken konden ze de steen omhoog krijgen. Zeker als naburige dorpen kwamen helpen en ossen werden ingezet, was er meer dan voldoende spierkracht beschikbaar.  

Één van de Drentse Hunebedden D27 bij Borger

Wat is er al die jaren mee gebeurd? 

De eerste periode na de Trechterbekercultuur bracht voor de hunebedden geen spectaculaire ontwikkelingen met zich mee. Nieuwe generaties zetten zelfs af en toe nog een overledene bij. Vernielingen kwamen amper voor. Die begonnen in de Middeleeuwen, vaak vanwege de heidense oorsprong, maar ook om het bouwmateriaal te hergebruiken. Tientallen hunebedden verdwenen, ook buiten Drenthe. In de 17e eeuw startte het eerste onderzoek en een eeuw later kregen de hunebedden een beschermde status. Tegenwoordig ontfermt de Hunebedden Beheergroep zich over de unieke monumenten. Helaas kan zij niet voorkomen dat er af en toe een onopzettelijke vernieling voorkomt, bijvoorbeeld door vuur of beklimming. 

Hoe kan ik ze het beste bekijken? 

Wie hunebedden wil bekijken heeft verschillende mogelijkheden. Er bestaat bijvoorbeeld een speciaal bezoekerscentrum bij Nederlands grootste hunebed in Borger. De bezoeker krijgt daar een goed beeld van de geschiedenis van onze hunebedden. Een andere mogelijkheid is het met de auto volgen van de N34, ook wel de Hunebed Highway genoemd. Dat is een route waarlangs veel exemplaren liggen. Zelf geef ik de voorkeur aan een wandeling of fietstocht naar een specifiek hunebed toe. Dat biedt mij alle tijd om de omgeving te zien en het hunebed rustig te ervaren. 

Bezienswaardige Drentse Hunebedden  

  1. Er zijn twee plekken in Drenthe waar je maar liefst drie hunebedden tegelijk kan zien. Deze trio’s zijn zeer de moeite waard, want zoveel neolithische monumenten bij elkaar geeft toch een heel apart sfeertje.
  2. D43 Schimmeres lijkt totaal niet op andere hunebedden. Hij lijkt op een langgraf en is daarmee uniek in Nederland. Heel bijzonder!

Ben je nieuwsgierig naar de bodemvondsten uit de tijd van de hunebedden? Dan kan je bijvoorbeeld een kijkje nemen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Daar ligt onder andere bandkeramiek dat uit hunebed D19 Drouwen-W is gehaald.

Geplaatst op

Boeken over de prehistorie: Tips en beschouwingen

Prehistorie in romans

Veel boeken over de prehistorie bieden heerlijke leeservaringen. Het genre maakt niet uit; romans, stripboeken, non-fictie of historisch. Alles wat het verre verleden doet herleven. Hieronder een overzicht van de toppers. Handig voor iedereen die een boek over de oertijd wil lezen en open staat voor tips. Daarbij antwoord op de vraag: “Wat is het allerbeste boek over de prehistorie?”  

Criteria 

Allereerst; er bestaat geen objectieve meetlat waaruit valt af te leiden wat een goed of een slecht boek is. Onderstaande beweringen zijn dus puur op persoonlijke titel. Het zijn geen universele of meetbare waarheden. Wat Jip prachtig vindt, kan Janneke stuitend vinden. Zelf laat ik bijvoorbeeld boeken over typen stenen werktuigen – met uitvoerige beschrijvingen van soorten afslagen – steevast in de winkel liggen. Die vind ik echt saai. Maar ik kan me voorstellen dat experimenteel archeologen daar heel anders over denken. Daarom een persoonlijke selectie met beoordelingen op basis van volstrekt subjectieve en willekeurige criteria. 

Boeken over de prehistorie: romans 

Clichés 

Een goede roman voert de lezer mee in het gevoelsleven van de hoofdpersoon. De lezer kan op die manier heel dicht bij de prehistorische mens komen. Soms leidt dat zelfs tot letterlijk meeleven. Zo mis ik regelmatig een paar uur slaap omdat ik wil weten hoe het verder gaat met een fictief prehistorisch personage. Als ik afhaak, komt dat vaak door gebrek aan geloofwaardigheid. In zulke gevallen schiet de schrijver door in sensatie, gruwelijkheid of de beschrijving van bovennatuurlijke fenomenen. Of in clichés. Een boek zonder een gevaarlijke op macht beluste sjamaan doet het bij mij beter dan een van de vele boeken waarin dit terugkerende archetype wel voorkomt. 

Geloofwaardigheid 

Kortom: De boeken die ik het beste vind zijn de boeken die ik het meest overtuigend vind. Ze draaien om geloofwaardige karakters die zich redden in realistische situaties. En dan verwacht ik ook nog dat de schrijver boeiend vertelt en de conflicten binnen de hoofdpersoon voelbaar maakt.  

  1. Nicholas J. Conard en Jürgen Wertheimer, Die Venus aus dem Eis; keurig gereconstrueerd rondom archeologische vondsten, zonder ook maar een moment droog of saai te worden. Helaas alleen verkrijgbaar in het Duits. 
  2. Cecilia Holland, Zuilen van de hemel; over de laatste en meest spectaculaire bouwfase van Stonehenge. Het boek geeft een meeslepende beschrijving van stamleden en hun onderlinge verhoudingen. De geloofwaardigheid van de karakters is uniek voor het genre.
  3. Kathleen O’Neal Gear en W. Michael Gear, Het volk van de wolf; spannend relaas over de eerste Amerikanen. Hier en daar ietwat geconstrueerd, maar dermate goed verteld dat de schrijvers er wat mij betreft mee wegkomen. 
Drie steengoeie romans

In mijn blog over romans over de prehistorie staat een toelichting op deze top drie. Ook staat daar de reden waarom ‘De stam van de holenbeer’ van Jean M. Auel er niet in voorkomt. 

Boeken over de prehistorie: Strips 

Komisch 

Commercieel succesvolle stripoermensen figureren vooral in het humoristische genre. Vaak met een knots in de hand en gehuld in dierenvel. Dikwijls met hele komische of onderhoudende resultaten. Jerom in ‘Suske en Wiske’ is daar een goed voorbeeld van. Al tientallen jaren boeit hij een grote lezersgroep. Zijn bovennatuurlijke kracht en zijn nuchtere aard bieden een heerlijk tegenwicht aan de explosieve Lambik. Een ander voorbeeld van een geslaagde humorstrip is ‘The Flintstones’. Hoofdpersoon Fred Flintstone heeft weliswaar geen knots, maar dat is dan vooral om duidelijk te maken dat hij een modern oermens is. Alle attributen in deze strip zijn eigenlijk moderne apparaten in een prehistorische uitvoering. Dat is onweerlegbaar grappig, maar met de oertijd heeft het niets te maken. 

Moderne attributen in een prehistorische uitvoering

Realistisch 

Gelukkig bestaan er ook realistisch getekende strips met oertijdelementen. Voor een groot gedeelte zijn die echter helaas gericht op actie en sensatie. Grote kerels met indrukwekkende spierbundels nemen het op tegen gevaarlijke sabeltandtijgers. Hun vrouwen met lange blonde haren staan weerloos aan de kant. Ze kijken vol afschuw toe. Zelf laat ik deze boekjes in de winkel liggen. Incidenteel vind ik een uniek stripboek dat meer biedt dan humor of sensatie. Dat neem ik dan direct mee naar huis: 

  1. Eric le Brun, l’Art préhistorique en bande dessinée. Glénat, 2012/2013. Twee prachtig getekende delen over de eerste jaren van de kunst. De tekenaar brengt alle kunstige oertijdvondsten chronologisch en minutieus in beeld.
  2. Graphic Classic: Charles Darwin, Over het ontstaan van soorten. 190 Pagina’s, uitgeverij EPO, 2011. Dit is een even toegankelijke als knap gemaakte introductie op leven en werk van de bedenker van evolutietheorie.
  3. Illustrated Classics: Van oertijd tot mensheid. 96 Pagina’s, Uitgeversmaatschappij Williams Nederland, 1974. Zowel grafisch als inhoudelijk zo gedateerd dat het mooi wordt. Dit boek brengt mij niet alleen terug naar de kinderjaren van de aarde en de mensheid, maar ook naar die van mijzelf. 
Stripboeken over de prehistorie

Boeken over de prehistorie: non-fictie 

Populairwetenschappelijk 

Het aanbod van lekker leesbare boeken over de prehistorie of met een link daarnaar is enorm. De schrijvers – zelf dikwijls geplaagd door oertijdnostalgie – willen niets liever dan de stad verlaten, zelf een speer maken en beren gaan jagen. Geldloos leven. Of ons overtuigen van het nut van een paleolithisch dieet zonder koolhydraten. Best leuk om te lezen, zo lang je het maar niet te serieus neemt. In dit genre lees ik het liefst boeken van Desmond Morris. Ze liggen voor een prikkie in kringloopwinkels en antiquariaten en bieden verantwoord vermaak dat tot nadenken stemt. Ik ben fan. In mijn huis ligt al een flinke stapel van deze intelligente veelschrijver. 

Historisch 

Er bestaat een enorm en kwalitatief hoogwaardig aanbod in dit genre. De diversiteit aan onderwerpen en invalshoeken is enorm; bijvoorbeeld per land, per periode, over kunst of over eten. Vooral hier zijn mijn voorkeuren volstrekt willekeurig en subjectief. Twee tips durf ik te geven. Ten eerste kan ik iedereen die houdt van een persoonlijke benadering het verslag van het voorouderonderzoek van Karen Bojs aanbevelen: ‘Mijn Europese familie’. In de tweede plaats vind ik dat iemand die alles wil weten over de Nederlandse steentijd niet heen kan om ‘Onze vroegste voorouders’ van Leendert Louwe Kooijmans. Voor de rest beveel ik vooral aan om te browsen en in boekwinkeltjes te neuzen. Want of je nou geïnteresseerd bent in de ijstijd, de eerste boeren of onze oudste Afrikaanse oorsprong, er is genoeg en het ligt allemaal op je te wachten.  

Overig wetenschappelijk: Darwin … 

Niet voor niets heb ik deze rubriek voor het laatst bewaard. Want laten we wel wezen; onze kennis en inzichten over de prehistorie bestaan voor een belangrijk deel bij de gratie van het werk van Charles Darwin. Zijn ‘The origin of species’ en ‘The descent of man’ gaven het startschot voor onderzoek naar menselijke oorsprong. Zonder Darwin had het heel wat langer geduurd voordat de eerste voorouderlijke schedels en botjes uit Afrika uit de aarde zouden komen en de aandacht zouden krijgen die ze verdienen.  

Charles Darwin; The descent of man

Overig wetenschappelijk: … en de rest 

Hierbij vier titels van boeken die fascinerende voetnoten plaatsen bij het werk van de grootste bioloog aller tijden: 

  1. Frans de Waal, De aap in ons. 264 Pagina’s, 2005, uitgeverij Contact. Deze hoogleraar psychologie vertelt een vergelijkbaar verhaal als Desmond Morris, maar dan met meer wetenschappelijke verantwoording. Desondanks beschikt hij over voldoende vertelkracht.
  2. Sarah Blaffer Hrdy, Een kind heeft vele moeders. 448 Pagina’s, 2009, Nieuw Amsterdam. Een eye-opener die verrassende inzichten biedt in de rol van oermoeders in de evolutie van egocentrische mens-apen tot sociale wezens.
  3. Steven Mitten, The prehistory of the mind. 358 Pagina’s, 1996, Thames and Hudson. De wording van de mens is uiterlijk nog enigszins te bevatten. De veranderende fysieke kenmerken vallen immers af te lezen uit gevonden botten. Deze schrijver begeeft zich op het veel moeilijker te begrijpen vlak van de psychologie. Want wie weet wat onze verre ouders dachten en hoe zij kwamen tot een eerste basis van kunst, religie en wetenschap? Mateloos intrigerend ….
  4. Stephen Oppenheimer. The origin of the British. 628 Pagina’s, 2206, Robinson, 2006. Dankzij DNA-analyse biedt deze onderzoeker een compleet nieuwe kijk op de Britse prehistorie. Die blijkt nauw verbonden met die van de rest van Europa. Dit doorwrochte onderzoek laat zich lezen als een forensische detective. 

Boeken over de prehistorie: Conclusie 

De prehistorie biedt voor iedere lezer wat wils. Er is van alles: Actie, sensatie, fantasie, humor en wetenschappelijk speurwerk met fascinerende onthullingen. Het is daarom onmogelijk om voor verschillende genres op basis van persoonlijke smaak het beste boek vast te stellen. Desalniettemin is het belang, de genialiteit en de originaliteit van het werk van Charles Darwin zo groot en alles overstijgend, dat dit als enige boek met recht de titel van beste boek over de prehistorie aller tijden kan claimen. Voor wie het origineel te veel van het goede is, bestaan genoeg samenvattingen en beschouwingen. Veel leesplezier met alle boeken die je leest over de prehistorie! 

Geplaatst op

Aardlagen in Zeeuws-Vlaanderen. Tot drie miljoen jaar terug in de tijd.

Artistieke interpretatie van aardlagen

Aardlagen fascineren. In een blik zie je duizenden jaren. Dat kan zelfs in Nederland. Lees hier een overzichtelijke toelichting op het wat, hoe en waar van de geologische lagen op een speciaal plekje in Zeeuws-Vlaanderen. 

In ons vlakke land sta je er amper bij stil dat ons aardoppervlak slechts het bovenste laagje is van een enorme stapel. In de polder, op de Veluwe of in het bos zie je daar namelijk weinig van. Behalve dan op een heel klein plekje in Zeeuws-Vlaanderen, want daar ligt de Meester van der Heijden groeve. Lokale bewoners noemen het ook wel de Kauter. Het is een unieke locatie bij Nieuw Namen waar je vlak langs de duidelijk zichtbare aardlagen kan lopen. 

De Meester van der Heijden groeve in Nieuw Namen

Tijdperken 

Relatief zijn de lagen niet ontzettend oud. Als je bedenkt dat het stollen van de aardkost zo’n vier miljard jaar geleden begon, zijn aardlagen van twee en een half miljoen jaar geleden best jong. Dat was het plioceen. Maar dat is de geologische manier om ernaar te kijken. Anders bekeken stammen deze aardlagen uit de periode dat de eerste mensen in Afrika verschenen. De groeve heeft zelfs – naast resten uit de steen- en bronstijd – fossielen van drie miljoen jaar oud prijsgegeven.  

Ontstaan van aardlagen

In die tijd was er geen land bij het plaatsje dat we nu Nieuw Namen noemen. Heel Zeeuws-Vlaanderen lag in zee. Rivieren hebben er zand afgezet. Een deel van dat zand bevatte ijzer dat is gaan oxideren. Zo ontstonden de rode lagen in die we nu kunnen zien in de groeve. Daar kwamen dan weer jongere lagen overheen uit een tijd dat er geen zee meer was. Door het wisselende klimaat volgden onder andere rivieren, moerassen en wadden. Het gebied kwam wat hoger te liggen. De aller vroegste Zeeuwen vonden het daarom zeer geschikt voor bewoning. Vandaar de vondsten van werktuigen uit het neolithicum. Dat is dezelfde periode waarin de eerste bewoners van Drenthe hunebedden bouwden. 

Ontdekking 

Charles Darwin kwam mede door aardlagen op het idee van zijn evolutietheorie. Zijn ‘Origin of species’ verscheen 1859. Al een jaar daarvoor maakte de huisarts Walraven de wetenschappelijke wereld attent op de aardlagen bij Nieuw Namen. De geoloog Staring kwam kort daarna ter plekke. Dat kon niet voorkomen dat zandwinning en vuilstort dit unieke plekje tussen 1920 en 1948 gingen beheersen. Schoolhoofd Cyriel van der Heijden benadrukte vanaf 1930 dat de Kauter een unieke afzetting is. Vijfentwintig jaar later ontfermde onder meer Staatsbosbeheer zich over het nog niet afgegraven stuk. De vuilnisbelt verdween in 1978. Vanaf 2011 is de groeve weer zichtbaar in volle luister.  

De Meester van der Heijden groeve in Nieuw Namen

Bezoek aan de aardlagen

Als ik de groeve met mijn gezin bezoek, schijnt er een heerlijk voorjaarszonnetje. Eerst moeten we een klein stukje door het bos wandelen om bij de houten loopbrug te komen. We zijn aangenaam verrast door de overzichtelijke en informatieve borden die langs het traject staan opgesteld. In het pad bevinden zich kleine displays met uitgestalde steentijdvondsten. Het meest indrukwekkend zijn de aardlagen zelf die zich gestapeld langs het pad slingeren. Al met al hebben we ons er meer dan een uur vermaakt. De meester van Heijden groeve is een aanrader en zeker de moeite van het omrijden waard! 

Meer oertijd in de grond

Zeeuws-Vlaanderen is overigens niet de enige plek in Nederland waar je de de IJstijd in de grond kan zien. Gelukkig zijn er nog veel meer. Zo kan je onder andere op de Veluwe een pingoruïne bewonderen. En de Grebbeberg is een spectaculaire opstuwing die door het ijs is ontstaan. Ook kan je in Het Gooi zien hoe het verre verleden zich tot op de dag van Vandaag in de Nederlandse bodem manifesteert.

Geplaatst op

Stonehenge geschiedenis; hoe de stenen door de eeuwen heen bewogen

De bekendste stenen van het Verenigd Koninkrijk lagen niet altijd stil. Er waren verbouwingen en restauraties. Ook was er sloop en verval. Hieronder staat de geschiedenis van Stonehenge in hoofdlijnen. Hij bestrijkt duizenden jaren.

Stonehenge

Stonehenge is een ruïne van een gebouw zonder dak. Oorspronkelijk telde het ongeveer 162 stenen. Het ligt iets meer dan 120 kilometer ten westen van London in het graafschap Wiltshire, dat rijk is aan prehistorische monumenten. Avebury ligt er bijvoorbeeld niet ver vandaan. Stonehenge zelf is het middelpunt van een heel landschap vol overblijfselen uit de steentijd. De grafheuvels springen het meest in het oog, maar er zijn ook tal van mysterieuze patronen in de aarde.

Stonehenge geschiedenis

Structuur 

Ondanks allerlei invloeden in de loop van de tijd staat – met wat hulp – de basisstructuur nog fier overeind. Die bestaat uit vijf concentrische elementen. Van buiten naar binnen zijn dat:

  1. De buitenste cirkel van sarsens. Dit zijn de grote stenen die iedereen kent. Ze komen uit de omgeving van Stonehenge, waarschijnlijk ergens in de buurt van Avebury. 
  2. De buitenste cirkel van bluestones. Deze stenen zijn kleiner dan de sarsens en hebben een blauwige tint.
  3. Een hoefijzervorm van sarsens.
  4. Een hoefijzervorm van bluestones.
  5. De altaarsteen. Dit is een liggende groengrijze zandsteen die geologisch afwijkt van alle andere stenen.  

Het geheel lijkt gebouwd om de zonnewendes precies aan te kunnen geven. Dat zijn het begin van de winter en het begin van de Zomer. Voor de eerste boeren waren dit hele belangrijke momenten.

Een plattegrond vanStonehenge. De gele lijn geeft de eerste zonnestraal op de langste dag weer. De bluestones hebben een blauwe kleur.

Onderzoek naar de prehistorie 

Omdat Stonehenge een prehistorisch monument is, bestaan er geen geschreven bronnen over de bouwfasen. Desondanks weten we er best veel van. Dat hebben we aan archeologen te danken. Zij graven al sinds 1802 in het gebied. De eerste onderzoekers maakten daarmee veel kapot. Gelukkig zijn we er wel veel wijzer van geworden. En de moderne wetenschap heeft veel aan die kennis toegevoegd. Koolstofdatering toont bijvoorbeeld aan hoe oud een voorwerp is. Daarnaast maakt DNA-analyse veel duidelijk over wie de eerste Britten – en dus de bouwers van Stonehenge – waren.

Geschiedenis van Stonehenge I (vanaf 8000 voor Christus)

De eerste Britten plaatsten totempalen in de buurt waar later Stonehenge zou verrijzen. Landbouwtechnieken bereikten deze streek rond 4000 voor Christus. Niet veel later ontstonden de eerste langgraven. The Great Cursus is ook afkomstig uit deze tijd. Dat is een weg van ongeveer drie kilometer waarvoor flink gegraven is.

Geschiedenis van Stonehenge II (vanaf 3100 voor Christus) 

Archeologen vonden geweien en schouderbladen van koeien op het terrein. Vermoedelijk gebruikten de eerste bouwers die als scheppen en pikhouwelen om de ronde aarden wal (of henge) op te werpen. Deze wal was veel groter dan tegenwoordig en had een opening in het noordoosten. In het zuidoosten bevond zich nog een kleinere ingang. Deze ingangen stonden in lijn met de zomerzonnewende. Binnen de aarden wal bevinden zich 56 kleine gaten uit deze periode. Ze heten Aubrey holes en zijn vernoemd naar John Aubrey, die ze al in 1666 ontdekte. Op de bodem lagen verbrande stoffelijke overschotten.

Geschiedenis van Stonehenge III (vanaf 2500 voor Christus) 

De eerste bouwers lijken Stonehenge na enige tijd te hebben verlaten. Nieuwkomers pasten het bouwwerk aan naar hun eigen wensen. Zo plaatsten ze het geheel nauwkeuriger richting de zomerzonnewende. Ook legden ze een nieuwe weg aan naar de ingang. Deze flankeerden zij met een aarden wal en stenen. De belangrijkste toevoeging bestaat uit de bluestones en de altaarsteen. Die haalden zij helemaal uit Wales. Dat was een enorme inspanning voor die tijd. De achterliggende motivatie is helaas niet bekend.

Geschiedenis van Stonehenge IV (2100 tot 1100 voor Christus)

Een nieuwe generatie veranderde de complete structuur. Veel bluestones verdwenen. Niemand weet waar naartoe. De enorme prachtig bewerkte sarsens die nu het gezicht van Stonehenge bepalen kwamen in deze periode naar het complex. Datzelfde geldt voor de enorme slachtsteen die nu bij ingang ligt. De resterende bluestones wisselden meerdere keren van plek gedurende deze bouwperiode.

Druïden 

Lang bestond het beeld dat Stonehenge van oorsprong een druïdentempel was. Deze wijzen kwamen echter pas in 250 voor Christus naar het Britse eiland. De reden dat de Romeinen een deel van Stonehenge verwoestten had waarschijnlijk met hun aanwezigheid te maken. Desalniettemin voelen moderne druïden een sterke verbondenheid met het monument. De eersten verschenen al in 1781. Sinds het begin van de twintigste eeuw vieren zij de zomerzonnewende uitbundig met een uitgelaten groep volgelingen.

Verval 

Storm en neerlag hebben Stonehenge de afgelopen duizenden jaren geteisterd. Dat heeft zeker schade aangericht. Die is echter verwaarloosbaar vergeleken met wat mensen hebben gedaan. Hun gedrag was pas echt destructief. Na de Romeinen kwamen tal van bouwers stenen halen. Met vuur en water wisten zij er bruikbaar bouwmateriaal van te maken. Ook de eerste toeristen namen graag een stukje van het monument mee. Voor dat doel namen zij dikwijls gereedschap mee. Tot diep in de twintigste eeuw kon het publiek zijn schadelijke werk doen; van festivals, demonstraties en relletjes tot graffiti.

Stonehenge geschiedenis

Herstel

Sinds 1898 staat er een hek om Stonehenge. De Britse overheid kreeg het monument in 1918 in bezit. De eerste serieuze pogingen tot herstel stammen uit 1901 en 1958. Scheve en gevallen stenen staan nu weer goeddeels recht. English Heritage is verantwoordelijk voor het bouwwerk en National trust voor het terrein met overige monumenten eromheen. Per jaar ontvangen zij anderhalf miljoen bezoekers. Het archeologisch onderzoek gaat met name in de omgeving onverdroten door met regelmatig nieuwe ontdekkingen tot gevolg.

Ook in het Verenigd Koninkrijk

Ben je geïnteresseerd in de steentijdmonumenten van Engeland en de rest van het Verenigd Koninkrijk? Lees dan ook de artikelen over Schotland en het grote onbekende Thornborough.