Auvers-Sur-Oise ligt dertig kilometer ten noordwesten van Montmartre. Vincent van Gogh bracht er zijn laatste dagen door. Veel waren het er niet, want hij kwam aan op dertig mei 1890 en stierf op 30 juli. Desondanks is hij alomtegenwoordig in het plaatsje. En hij is niet de enige…
Auver-Sur-Oise is omgeven met drukke snelwegen. Al dat verkeer doet vrezen dat het plaatsje een door toeristen overspoelde kermisattractie is. Zoiets als Saint-Rémy-de-Provence, een stad in het zuiden van Frankrijk die is vergeven van bekende locaties die van Gogh heeft vereeuwigd. Daar staan borden met de oorspronkelijke schilderijen, maar in de zomer beletten hinderlijke mensenmassa’s de gewenste sfeer te ervaren. Bij een echte Van Gogh-ervaring horen geen schreeuwende kinderen of zwetende volwassenen. Saint-Rémy-de-Provence (en ook Arles en Saintes-Maries-de-la-Mer) komen daarom het best tot hun recht in de herfst of de winter.



De eerste indruk van Auvers-Sur-Oise
Het is gelukkig herfst als ik de auto op een parkeerplaats bij de Oise neerzet. Die bleek verrassend snel gevonden. Aan de andere kant van de rivier ligt het station. Daar moet Van Gogh zijn aangekomen. Onze eerste indrukken van Auvers-Sur-Oise komen overeen; een stadje dat fraai tegen de berg aan ligt, vol beloftes en klaar om verkend te worden. In tegenstelling tot van Gogh moet ik eerst nog de brug oversteken. Van drommen toeristen is geen sprake.

Daubigny
Als ik de weg volg zie ik een buste die een schilder – maar niet Van Gogh – voorstelt. Het is Charles-François Daubigny. De beste man was al twaalf jaar overleden toen onze landgenoot hier aankwam. Desondanks laat zijn belang voor de schilderkunst zich moeilijk overschatten.
Daubigny was een landschapsschilder en maakte deel uit van de school van Barbizon. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s ging hij naar buiten om de natuur te schilderen. Hij stond met zijn voeten in de modder en op het gras. Hetzelfde gold voor de poten van zijn schildersezel.
Zijn schilderijen hadden geen last van het diffuse licht en de geconstrueerde compositie die de achttiende eeuwse landschapskunst karakteriseert. Dubbele betekenissen en zorgvuldig geplaatste passanten zie je niet in zijn werk; dat was iets voor schilders die hun atelier amper uitkwamen. Een schilderij van Daubigny vangt het licht van het landschap zelf en is betrekkelijk natuurgetrouw. Het klinkt misschien gek, maar destijds was dat een ware revolutie die zich snel over de Franse landsgrenzen uitbreidde. Ook naar Nederland, zoals onder andere te zien was tijdens de tentoonstelling Barbizon van het Noorden in het Drents Museum.



Reuzen
Vandaar dat ik de Rue Daubigny volg naar het Musée Daubigny en met hooggespannen verwachtingen naar binnen ga. Ik word niet teleurgesteld, want wat ik zie is het werk van de reuzen op wiens schouders Van Gogh – zelf natuurlijk ook een reus – kon staan.
Als ik Van Gogh probeer te visualiseren zie ik een eenling met een ezel en een kistje voor me, die met verfvlekken op zijn kleding over zandpaden struint op zoek naar een uitzicht dat het waard is om te vereeuwigen. Dat type schilder kon eigenlijk pas opkomen dankzij innovators als Daubigny. Ook al sprankelen de kleuren in het werk van de Fransman nog niet als de kleuren in een schilderij van Van Gogh en ook al is de interpretatie van het landschap nog niet zo persoonlijk en uitgesproken, het blijft nog steeds indrukwekkend wat Daubigny heeft gepresteerd. Hij had een boot waarmee hij de Seine en de Oise afvoer. Die man moet intensief van het landschap gehouden hebben. Zijn schilderijen ademen dat uit.
Boomwortels en het stadhuis van Auvers-Sur-Oise

Achter Musée Daubigny leidt een pad de heuvel op. Daar bevindt zich een bos dat diagonaal tegen de helling ligt. Prachtige boomwortels lopen van boven naar beneden. Het is niet bepaald een uitzicht dat Daubigny zou hebben geselecteerd voor vereeuwiging. Van Gogh schilderde het wel. Een bord helpt mij daaraan herinneren. En omdat er deze keer geen drommen toeristen om mij heen staan, kan ik stil staan, mijmeren en het uitzonderlijke van deze locatie tot mij door laten dringen. Het gesloten loket dat zich even verderop bevindt verpest mijn euforische stemming niet. Meer dan in het zomerse Saint-Rémy-de-Provence krijg ik het gevoel dat ik mij in de voetsporen van Van Gogh begeef.
Dat gevoel blijft als ik Auvers-Sur-Oise verder verken. Bij het pension waar hij verbleef staat een loket met een korte rij bezoekers. Iets verderop bevindt zich het stadhuis dat ook is geschilderd door Van Gogh. Het is weer zo’n onderwerp waar Daubigny verre van zou blijven.
Sterker nog; ik zie zelf ook niet in waarom iemand zo’n weliswaar aardig, maar niet bepaald bijzonder gebouw zou willen schilderen. Uit de handen van Van Gogh kreeg het desondanks een magisch aura dat het ver boven alle andere stadhuizen verheft. Dat is kenmerkend voor het genie van Van Gogh; niet zijn onderwerp, maar zijn stijl is bepalend voor de aantrekkingskracht van zijn werk.

Ossip Zadkine
Langs de Rue Daubigny ligt het Parc Van Gogh. De begroeiing is allesbehalve weelderig en de aanleg getuigt niet bepaald van grootsheid of creativiteit. De reden om er desondanks naartoe te gaan is het standbeeld van Van Gogh dat Ossip Zadkine maakte. Het is iets meer dan levensgroot en toont de landschapsschilder op weg naar zijn werklocatie. Er spreekt vastberadenheid, toewijding en tegenslag uit. De stijl is spontaan en levendig, bijna onrustig. Daarmee vormt het een enorm contrast met de statische buste van Daubigny die iets verderop staat. Zadkine confronteert de kijker met de levende Van Gogh.
Het doet pijn. Want denkend aan Van Gogh lopend door het negentiende-eeuwse Auvers-Sur-Oise is het onmogelijk niet zijn tragische noodlot te zien. Het genie gaat sterven, geenszins bewust van de enorme erkenning en bewondering die hem in de toekomst wacht. De tragiek van zijn kunst schuilt in het gegeven dat we de maker nooit kunnen laten weten hoeveel we van zijn werk – en dus van hem – houden. Zelfs een bedankje zit er niet in.



The greatest man who ever lived

De Britse Sci Fi-serie Doctor Who speelt in op dit drama door Van Gogh met een tijdmachine naar Musée d’Orsay te brengen en hem daar te laten te laten meeluisteren naar het commentaar van een bevlogen kunstkenner:
“He transformed the pain of his tormented life into ecstatic beauty. Pain is easy to portray. But to use your passion and pain to portray the ecstasy and joy and magnificence of our world… No one had ever done it before. Perhaps no one ever will again. That strange wild man was not only the world’s greatest artist, but also one of the greatest men who ever lived.”
Voor het graf van Van Gogh moet je omhoog langs de Notre Dame de ‘l Assomption. Het schilderij ervan is een wereldberoemd meesterwerk. Ik kan niet nalaten om de plek op te zoeken waar Van Gogh moet hebben gestaan toen hij eraan werkte. In de relatieve najaarsrust van Auvers-Sur-Oise sluit ik mijn ogen. Mijn gedachten gaan naar de man die even verderop zijn laatste rustplaats heeft gevonden. Als ik mijn ogen open zie ik de kerk weer en realiseer ik mij dat dit weer zo’n locatie is die van zichzelf weliswaar charmant is, maar in zichzelf niets heeft dat een kunsthistorisch hoogtepunt doet vermoeden. Daar was de hand van de meester voor nodig.

De kraaien van Auvers-Sur-Oise
De resten van de hand van die meester liggen nu met de rest van zijn lichaam op het plaatselijke kerkhof. Naast hem ligt zijn broer Theo die hem zijn artistieke leven lang steunde. De stenen zijn eenvoudig en staan aan het hoofdeinde tegen de muur die de begraafplaats omsluit. Wat mij het meest opvalt zijn niet de neergelegde zonnebloemen, niet de begroeiing en niet de inscripties. Het is het geluid van kraaien. Ik realiseer mij dat ik luister naar de nazaten van de vogels die hij schilderde bij het nabijgelegen korenveld. Nooit voelde ik me dichterbij leven en werk van Van Gogh. Waarschijnlijk gaat dat ook nooit meer gebeuren, tot de dag dat ik terugkeer naar deze magische plek in Auvers-Sur-Oise.

(De titelillustratie van Van Gogh met het fototoestel is gegenereerd met AI; openart.ai.)